Westerbork, Hervormde kerk

Informatie over de kerk

Lange tijd gold het orgel in de Hervormde kerk van Westerbork als een oud orgel van onbekende herkomst.
Op een gegeven moment, rond 1980, was het orgel er slecht aan toe.
Na een preadvies van de Orgelcommissie van de Ned. Herv. Kerk benoemde de kerkvoogdij Klaas Bolt als adviseur. (xx)
Bron: Het Orgel1988/01 "Het orgel in de hervormde kerk te Westerbork" door Jan Jongepier

Foto 01 vanuit http://www.kerkeninbeeld.nl

Historisch onderzoek Klaas Bolt begon met het oog op een historisch rapport met een onderzoek van het aanwezige archiefmateriaal in Westerbork. Dat leverde echter niet zoveel op. In 1862 was het orgel "geleverd" door P. van Oeckelen. Duidelijk was echter, dat het huidige orgel niet van Van Oeckelen was.
Een groot deel van de legpuzzel bleek zich uiteindelijk elders te bevinden. In al die gevallen van levering van oude orgels is het immers de moeite waard na te gaan, wat die leverancier aan nieuwbouw maakte in de jaren voor die levering. Zo leidde het spoor naar Beetgum, waar P. van Oeckelen in 1861 een nieuw tweeklaviers orgel maakte.
Het van Oeckelen-orgel siert nog steeds de kerk van Beetgum. Voor foto's van de kerk en het orgel zie de onderkant van deze pagina.

Knock meldt van het voormalig orgel van Beetgum de dispositie:
Praestant 8 v.
Holpijp 8 v.
Octaaf 4 v.
Quint 3 v.
Super Octaaf 2 v.
Sexquialter discant
Mixtuur 3 St.
Tremulant
Afsluiting
Windlossing

Een dispositie zonder in het oog lopende kenmerken weliswaar, niet geheel overeenkomend met het orgel van Westerbork bovendien (de Trompet ontbreekt), maar in het algemeen toch een gegeven van belang, omdat het orgeltype er in grote lijnen mee overeenkomt.
Een nader onderzoek van het archief van de Hervormde Gemeente van Beetgum bracht in de eerste plaats aan het licht, dat Van Oeckelen het oude orgel inderdaad ingeruild had.
Er zijn twee bestekken voor de bouw van het nieuwe orgel bewaard gebleven. Eén bestek van Willem Hardorff (die het oude orgel onderhield toen over nieuwbouw werd gesproken), ongedateerd, niet ondertekend, de aanneemsom niet ingevuld. Het tweede bestek van P. van Oeckelen, gedateerd "juny 1860" en ondertekend namens de orgelmakers door P. van Oeckelen, C. A. van Oeckelen en H. van Oeckelen.
In beide bestekken komt, eensluidend, de volgende bepaling voor:
Het oude orgel moet dienstbaar blijven totdat de kast van het nieuwe orgel geplaatst wordt.
De Kerkvoogden zullen proberen het oude orgel zo voordelig mogelijk te verkopen. Wanneer dat niet lukt dan moet de orgelmaker het innemen voor een bedrag dat hij per inschrijvingsbiljet heeft gedeponeerd.
Toen het spoor naar Beetgum juist bleek, was ook de vraag naar de maker van het orgel in feite al opgelost.

Eén van de zeer te waarderen speurders naar gegevens uit de Friese historie, de heer Sytze ten Hoeve, had in juni 1978 in het orgaan 'Ut de smidte' van de Fryske Akademy gepubliceerd wat hij betreffende het orgel van Beetgum in het Schwarzenberg-archief had aangetroffen. Uit twee betalingsopdrachten met kwitanties blijkt, dat Christian Müller "een compleet orgel gemaackt" heeft "den 20 Januari afgelevert in de kerck tot Betgom". Hij ontving hiervoor 628 Caroliguldens. Breder bekend werd deze archief-vondst door de bijdrage van Meindert van der Galiën: Müller en Schwartsburg vondsten en vragen in DE MIXTUUR, nr. 26, oktober 1978. Het orgel dat Müller bouwde, is allerminst nieuw geweest. Kas en technische delen zijn zeker uit 1725-'26, het pijpwerk is echter overwegend ouder. Vreemd is daarbij dat het pijpwerk niet de eigenschappen van de traditionele 17de-eeuwse Friese orgelbouw bezit, een zware factuur met dikke pijpwanden en een hoog loodgehalte, zoals we doorgaans in het werk van de orgelmakers Baders en Harmens aantreffen. Het pijpwerk van Beetgum, nu in Westerbork, is daarentegen dun van wand, met daarbij wel een hoog loodgehalte, en daarom gevaarlijk zacht en fragiel. In de periode tussen het overlijden van Schwartsburg en de vestiging van Lambertus van Dam en Albertus van Gruisen zijn in Friesland geen orgelmakers van formaat voorhanden. Soms komen we dan Hinsz tegen, maar in meerderheid toch een groot aantal orgelmakers van een tweede plan.

Zo is het ook in Beetgum gegaan. Kennelijk heeft men naar een orgelmaker moeten zoeken, want tot 1754 wordt er niets aan onderhoud uitgegeven. Van 1754 tot 1759 stemt ene Johannes Jans het orgel voor 5 Caroligulden per jaar. Hij is de meest onbekende in de rij. In diezelfde tijd stemde hij het voormalig orgel van Bergum, een (waarschijnlijk) 17de-eeuws instrument met Hoofdwerk en Rugwerk, waar we (nog) niet zoveel van weten. Dan treffen we Pieter de Vries aan. Hij was organist van Galileeërkerk te Leeuwarden. Van 1760 tot 1776 onderhield hij het orgel van Beetgum, in 1777 overleed hij. (Is er mogelijk een samenhang tussen het overlijden van De Vries en de komst van Lambertus van Dam naar Leeuwarden?) Van 1777 tot 1782 stemt A. van Kampen (Campen) uit Koudum het orgel. Ook hij is geen onbekende als stemmer, reparateur en handelaar in orgels. Hij was organist te Koudum. Het bedrag voor de stemming bleef altijd 6 gulden en 6 stuivers. Soms alleen zes gulden, soms iets meer als er wat aan de balgen (1782) of aan het torenuurwerk (1781) moest gebeuren. Als laatste in deze rij treedt Albertus S. Hempenius op, die van 1784 tot 1789 het 'orgel stellen' uitvoert, ook weer voor 6 Caroligulden en 6 stuivers. Dan komt het onderhoud in handen van Albertus van Gruisen, orgelmaker te Leeuwarden. Hij begint met een ingrijpende herstelling, kennelijk uitgevoerd in 1792. De eerste termijn wordt namelijk in november 1791 uitbetaald, de tweede en laatste termijn in januari 1793. In totaal was met deze werkzaamheden een bedrag van 225 caroligulden gemoeid. Wat Van Gruisen ervoor deed, weten we niet. Wijzigingen werden niet uitgevoerd, dat kunnen we wel uit het orgel afleiden. Het pedaalklavier dat er nu nog is, kan heel goed van Van Gruisen zijn. Het vertoont de karakteristieke factuur, die we ook bij Hinsz en Freytag aantreffen, met schuin afgeschaafde zijkantjes aan de toetsen. Tot 1818 stemden de orgelmakers Van Gruisen jaarlijks het orgel voor het vaste bedrag. Meestal staat Albertus van Gruisen bij de betaling genoemd, een enkele keer Johannes van Gruisen, na 1812 meermalen Willem van Gruisen.

In 1807 werden reparaties aan de kanalen uitgevoerd. Wanneer in 1819 werkzaamheden aan het dak van de kerk zijn verricht, waaronder vernieuwing van de leien, blijkt het noodzakelijk te zijn, het orgel te herstellen. De opdracht hiertoe wordt aan Johann Adolf Hillebrand gegeven, een leerling van Albertus van Gruisen, die vooral opvalt door dubieuze kwaliteit en een slechte verstandhouding met zijn leermeester. Voor fl 189,65 herstelt Hillebrand het orgel, wat volgens het rekeningboek inhield het schoonmaken van het orgel en het vergulden en verzilveren (foeliën) van de frontpijpen. Stemmen deed Hillebrand voor 7 gulden, maar dat komt maar één keer voor (1828). De overige jaren was er altijd wel wat te repareren en liep het bedrag op tot 10, of zelfs tot 22 gulden. Na een paar jaar onderbreking van het onderhoud (1830-'31) komt in 1832 Willem van Gruisen hiervoor terug. Tot 1837 is er weer sprake van regelmaat, eveneens m.b.t. het bedrag, fl 6,30 per jaar. Géén onderhoud is uitgevoerd in de periode 1838-1843. In laatstgenoemd jaar overleed Willem van Gruisen, en wordt de orgelmakerij gecontinueerd door Willem Hardorff (aanvankelijk met T. van der Meer, maar al spoedig alleen). Willem Hardorff komt in 1844 al stemmen, en doet dat met enkele onderbrekingen van één jaar tot 1858. Aan de onregelmatigheid van de bedragen is te zien, dat er toen altijd wel wat mankeerde aan het orgel. Dat zal dan ook wel de reden zijn geweest om naar een ander orgel om te zien. Dat moest dan ook een groter en moderner werk worden, naar de nieuwste smaak. Welnu, dat werd het ook, het nieuwe orgel van Van Oeckelen, dat er in 1861 kwam nadat Hardorff dus de opdracht aan zich voorbij had zien gaan. Het oude orgel werd als afdankertje aan Van Oeckelen overgedaan, zoals veelal gebruikelijk was. Is het geen merkwaardige coïncidentie dat ook dit ingeruilde instrument door Van Oeckelen in de provincie Drenthe werd geplaatst, evenals het oude orgel van Akkrum (thans in Veenhuizen), vijf jaar eerder?

Lotgevallen in Westerbork
Het orgel geeft te kennen, dat Van Oeckelen niet al te veel heeft veranderd aan het Müller-orgel toen hij het in Westerbork plaatste. Er is ooit een Viola di Gamba 8 vt geplaatst waarvoor de Sexquialter moest wijken. Misschien is dat gelijk in 1862 gebeurd. Maar verder bleef het orgel in hoofdlijnen intact. Vooral voor onderdelen als klavier, pedaalklavier, windvoorziening, die, afgezien van de dispositie, nogal snel vernieuwd werden in die tijd, is dat heel opmerkelijk.

1861: Plan tot aanschaf van een orgel volgens een bericht uit de Provinciale Drentsche en Asser courant 05-02-1861


1862: Ingebruikname bericht uit de Provinciale Drentsche en Asser courant 19-07-1862 en 06-09-1862


1865: Men is zeer tevreden met het orgel. Provinciale Drentsche en Asser courant 19-12-1865


1953: Het orgel wordt gerestaureerd door de orgelmakers Gebr. Van Vulpen te Utrecht. Naast herstel van technische aard waarbij de lade op klassieke wijze gerestaureerd werd, vond dispositieherstel plaats door het herplaatsen van een Sexquialter en het verwijderen van de Viola di Gamba. Naar de mode van die tijd werd de klankgeving opgezet vanuit een lage winddruk (60 mm) en werden de voetopeningen drastisch vergroot. Ook werd het pijpwerk een halve toon verschoven. De toonhoogte was daarna bijna een halve toon boven 440. De frontpijpen werden van nieuw tinfoelie voorzien.

1959: Uit onderstaand bericht blijkt dat men in 1959 nog geen idee had wie de maker was van het orgel.


Nieuwsblad voor Beilen d.d. vrijdag 29 mei 1959


Nieuwsblad voor Beilen 28 augustus 1959


Nieuwsblad voor Beilen 4 september 1959

Restauratie door Albert H. de Graaf (1983-1987)

Ten behoeve van de kerkrestauratie werd het orgel, dat vrijwel onbespeelbaar was geworden, in 1983 gedemonteerd. De eigenlijke restauratie, uitgevoerd door orgelmaker A.H. de Graaf onder advies van Klaas Bolt vond plaats in 1986-'87.


Albert de Graaf aan het werk in Westerbork. Foto Beeldbank archief Drenthe

Op 1 oktober 1987 vond de ingebruikname plaats, waarbij Klaas Bolt het orgel bespeelde. 


 

De restauratie omvatte de volgende werkzaamheden
*De kas werd hersteld, werd geschilderd in Venetiaans rood (ongeveer overeenkomend met de kleur van Leeuwarden), en het bladgoud op de Blinderingen en ornamenten werd nieuw aangebracht.
*Balgen en kanalen werden hersteld.
*De mechanieken werden hersteld, delen van de manuaalmechaniek werden vernieuwd, zoals twee winkelbalken, de verticale abstractuur en alle draadwerk.
*De totaal kapotgestookte windlade werd hersteld. Daarbij werden alle scheuren in sponsels gespied, terwijl bij het ventiel-draaipunt bruggetjes dwars werden ingezet. De belering werd aan onder- en bovenzijde opnieuw aangebracht. Op de stokken werden ringen van geweven stof geplakt ter afdichting.
*Het pijpwerk werd met grote zorg gerestaureerd nadat via een volledige inventarisatie de oorspronkelijke plaats van alle pijpen was vastgesteld. Met name bij de Mixtuur bleek nogal wat pijpen  verplaatst te zijn. Besloten werd, het pijpwerk te verlengen tot de toonhoogte 440. Uitgaande van de toonhoogte-inscripties kon niet de hogere koortoon gekozen worden omdat dan bij de frontpijpen in authentiek materiaal zou moeten worden gesneden. De voetopeningen werden verkleind, als winddruk werd 72 mm vastgesteld.
*Als temperatuur is thans een vrijwel gelijkzwevende temperatuur ingestemd, nadat de laatste verfijningen in de afwerking zullen zijn aangebracht ligt het in de bedoeling een temperatuur volgens Neidhardt aan te brengen.
*De Sexquialter van 1953 werd door een nieuwe Sexquialter vervangen.

Beschrijving van het orgel
Hoewel aan de ene kant typerende Müller-trekken zoals de zevendelige frontstructuur en de deling van de tussenvelden in drieën niet aanwezig zijn (waardoor het orgel waarschijnlijk ook nooit als een werk van Mij her is herkend), zijn er anderzijds toch wel veel kenmerken in het front aanwijsbaar die Müllers auteurschap en de bouwtijd bevestigen. Het spreekt vanzelf dat het Leeuwarder Müller-orgel daarbij dan als referentiepunt optreedt. Het orgel van Westerbork heeft een vijfdelige frontstructuur met zeven pijpen per toren en gedeelde tussenvelden met elk zes pijpen. De frontpijpen bezitten rond ingeritste labia die verguld zijn. Zijbaarden zijn niet aanwezig.




De in 1953 aangebrachte tinfoelie is bij de thans uitgevoerde restauratie gehandhaafd. Overeenkomsten met Leeuwarden zijn vooral aanwijsbaar in de vorm van de kappen van de drie torens, met name de profilering daarvan, en in de vormen en motieven van het blinderingssnijwerk. Uiteraard is het zo, dat overeenkomst van stijl, in dit geval Régence, vanzelf tot congruentie van vormen en motieven leidt. In dit geval gaat het dan om banden, omrankt met blad- en bloemmotieven, ruitwerk en C-voluten. Maar binnen dat vaststaand gegeven is toch een opmerkelijke overeenkomst in de hoofdvorm en uitvoering te zien, bijvoorbeeld in de vleugels, vergeleken met de vleugels van het Rugwerk te Leeuwarden. Ik moet er direct aan toevoegen dat er ook verschillen zijn. Zoals de curieuze oplossing tussen de spitskappen en de middentoren: het blinderingssnijwerk boven de bovenste tussenvelden met C-voluut en ruitwerk, met, los daarvan, boven de profiellijst van de kap de elegante verbinding tussen spitskap en stijl van de middentoren. Ook opvallend, en afwijkend van Leeuwarden is het onderste detail van de vleugels, een minuscuul draperietje met kwastjes. Generaal gesproken is het blinderingssnijwerk van Westerbork bovendien grilliger, consistenter en beheerster dan dat in Leeuwarden.

De kas

De gehele kas is van eiken. Alleen het onderste zetluik in de achterwand is van vuren. Verondersteld wordt, dat in 1726 delen van een oudere kas gebruikt zijn, ingepast in het Müller-concept. De 87 cm diepe kas is geschilderd in een fraaie, ingehouden rode tint (ongeveer overeenkomstig de kleur van Leeuwarden) waarbij de vleugels en blinderingen verguld zijn. De onderkas is eenvoudig van constructie. Er zijn vier stijlen aan de voorzijde, de buitenste vakken zijn verdeeld in twee panelen met een profiellijstje, in het middelste vak zijn klaviatuur, lessenaar en knieschot geplaatst. Knieschot en lessenaar zijn met kleine metalen schuifjes vergrendeld (evenals in Leeuwarden).
Curieus zijn de bolle hoekprofielen op de hoeken van de buitenste stijlen.
De achterwand zit, in verhouding tot de simpele structuur van het orgel, tamelijk gecompliceerd in elkaar: gescheiden door tussenregels zien we van onder naar boven: een zetluik (ruimte onder walsbord), twee deuren (bij walsbord), een losse plank over de gehele breedte (bij ventielkast), een dubbel scharnierend stemluik over de gehele breedte, met ringen aan haken te bevestigen (in hoofdzaak voor stemmen Trompet) en tenslotte zetluiken in het bovenste gedeelte.



Klaviatuur


Wat bij het klavier natuurlijk in de eerste plaats opvalt is de prachtige uitvoering van de bakstukken. Ze zijn in twee opzichten zo bijzonder. In de eerste plaats, omdat het unica zijn en onverwacht van vorm binnen het Müller-kader. Of die verwachting terecht was, valt te bezien. Alleen de bakstukken van het Bavo-orgel zijn originele exemplaren, daarnaast zijn enkele authentieke klavieren met bakstukken van kabinetorgels bekend. Maar omdat die kabinet-orgelbakstukken toch varianten van het Bavo-thema zijn, evenals authentieke bakstukken van Pieter Müller (Hoorn, 1773, Ev. Luth. kerk), en J. H. H. Bätz, is het verwachtingspatroon ontstaan, dat alle orgels van Müller wel iets in dié geest gehad zullen hebben. Weerspreken de bakstukken van Westerbork die gedachte? Misschien wel. Maar er zijn er ook die menen (en dat is dan het tweede bijzondere element), dat deze bakstukken niet uit 1726 kunnen zijn. De grillige vorm waarbij de bladmotieven naar schuimwerk neigen lijkt inderdaad niet in overeenstemming met het bouwjaar en de thema's van het blinderingssnijwerk. Geen enkele Post van de onderhoudsbetalingen wijst echter op ingrijpend herstel of verfraaiing. Ook passen de bakstukken niet in het stijlbeeld van 1792, noch in de stijl van het huis Van Gruisen. Behalve de beschreven bakstukken omvat een zware ebben geprofileerde onderlijst het klavier, in deze vorm is wel degelijk de hand van Müller te herkennen. Het klavier bezit ivoorbeleg op de ondertoetsen, gelijmd, twee delen per toets. De bruine houten boventoetsen hebben dun ebben beleg. Toetsmaten: totale lengte 11,2 cm, voorste deel 3,8 cm, boventoets onderaan resp. bovenop 7,1 / 6,8 cm. De frontons zijn van lichtbruin hout, iets gewelfd (niet geprofileerd). Er is een eiken pedaalklaviertje van 15 toetsen. Het raam meet 65,6 x 47,7 cm, de boventoetslengte is 7,5 cm. Het orgel heeft een oud grenen orgelbankje, aardig model, zwart geschilderd. De registerknoppen zijn origineel, bruin, ongeschilderd hout, kort model knop. De registeropschriften staan op witte houten tabletten, letters zwart, kapitaal, romein, met schreef. Aanduidingen voor Bas en Disc. ontbreken bij halve of gehalveerde stemmen.




Windvoorziening
Achter het orgel staat een balgenkas waarin drie oude spaanbalgen zijn opgesteld. Aan de noordzijde zijn de drie treden aangebracht. Van de balgenkas gaat een hoofdkanaal naar net orgel, over de vloer. Hierop in de onderkas een kastje met een inliggende Tremulant. Vervolgens een aftakking naar C- en Ciskant, elk met een eigen Afsluiting, die tegelijk door één knop bediend worden. Tenslotte de eiken kanalen naar de lade. Alle kanalen en overige delen zijn van eiken.

Windlade
De windlade is van eiken. Ongedeelde lade, met desondanks twee kanaalingangen. Stokken en roosters zijn ook van eiken. De ventielkast heeft twee inliggende voorslagen, vastgezet met ijzeren klemmen. De cancelindeling is: b0 fs0 B Gs c0 e0 gs0/c1-c3/Fs E D C Cs Ds F/h2-es'/a f cs0A G H ds0 g0 h0.





Mechanieken
Voor het pedaal is er een eiken walsbord in mooi gebogen vorm, walsen grenen, nokken eiken, armen eiken. Het Manuaal bezit een eiken walsbord, eiken walsen in eiken nokken, armen van ijzer. In de nokken rode kernlaken invoering, gehandhaafd werk uit 1953. Tussen klavier (eiken staartklavier) en walsbord twee eiken winkelbalken met messing winkelhaken, nieuw. Horizontale abstractuur oud, eiken, verticale abstractuur nieuw, eiken. Draadwerk nieuw. In de onderkas zijn, onder de registerknopen, merkwaardige 'vloertjes' aangebracht, grenen. Staande walsen draaien hierin, klampjes voor horizontale walsen zijn hierop bevestigd. Alle walsen zijn van eiken, achtzijdig. Staande walsen bezitten ijzeren armen, liggende walsen eiken armen. De sleep-bevestiging is uiteraard aan de zijkanten van de lade. Ter plekke zijn ijzeren hefbomen aangebracht in een grenen regel met as. Waar de hefboom door de sleep heen steekt, is de sleep met een messing plaat versterkt.






De dispositie luidt (volgens nomenclatuur aan de klaviatuur).

Praestant 8 voet C en Cis binnen, metaal, open, rond ingeritste labia, zijbaarden; D-b1 in het front, waarvan h0-b1 in de tussenvelden, dubbel (onderveld en bovenveld gelijke tonen), h'-c3 op de lade, dubbel
Roerfluit 8 voet Geheel metaal; grootste pijpen 1726, rond ingeritste labia, zijbaarden; omdat papier bij hoeden vergaan was en de losse hoeden zeer ruim zijn is nieuw afsluitmateriaal aangebracht~ modern materiaal op katoenbasis
Octaaf 4 voet   
Quint 3 voet b/d Gewreven labium, geen belijnde vorm, losse hoeden, zijbaarden
Octaaf 2 voet  
Sexquialter III sterk Pijpwerk 1987; samenstelling: c1= 2 2/3, 1 3/5, 1 3/5 voet
Mixtuur III sterk Grotendeels oud pijpwerk, samenstelling hersteld in 1987, hier en daar aangevuld met pijpwerk uit 1987; samenstelling:
C: 1, 2/3, 1/2
C0: 1 1/3, 1, 2/3
g0: 2, 1 1/3, 1
c1: 2 2/3, 2, 1 1/3
f1: 4, 2 2/3, 2
Trompet 8 voet b/d Stevels en koppen eiken, om de stevels een perkamenten band met de toonhoogteletters, nieuw aangebracht in 1987, messing kelen, iets schuin aan de onderkant, tongmateriaal grotendeels oud
Tremulant    
Windlosser    
 



Gewassen inkt tekening door Maarten 't Hart, Balkbrug. Gemaakt in 1997.



Enkele algemene kenmerken van het pijpwerk
Uitgezonderd frontpijpen en grotere binnenpijpen lijkt alle labiaalpijpwerk ouder dan 1726 te zijn. Het pijpwerk heeft een donkere metaalkleur, een hoog loodgehalte maar een dunne wand en is derhalve toch licht van factuur. Nergens is een belijnde labiumvorm te zien, behalve bij grotere pijpen uit 1726. Toonhoogteletters meestal aan de voorkant, maar ook bij de kruising van soldeernaden, rechts. Op veel (alle?) pijpen een cancelnummer, zoals we uit het werk van Schwartsburg kennen.

Indruk
Bij het orgel van Westerbork is toch echt wel sprake van een 'Doornroosje'-geval. Het afdankertje, dat tengevolge van een totaal gebrek aan financiële middelen alle stormen overleefde en 'het haalde'. Friesland heeft in de welvarende 19de eeuw immers weinig respect getoond voor de roem van de uit andere streken afkomstige orgelmakers Schnitger en Müller, en de kwaliteit van hun werk als niet passend in de tijdgeest verworpen. Schnitgers werk verdween daardoor bijna geheel, van Müller ging het charmante orgel van Menaldum in 1861 spoorloos ten onder en verloor het Leeuwarder orgel gedurende 10 opeenvolgende Van Dam-restauraties (tussen 1802 en 1928) balgen, manuaalladen, klaviatuur, mechanieken en meer dan de helft van het pijpwerk. Wanneer dan een werk van deze Müller onverwacht gelokaliseerd kan worden, en zó compleet, in technisch opzicht, bewaard blijkt te zijn, is er toch sprake van een verrassing van formaat. De nu uitgevoerde restauratie heeft bewerkstelligd, dat ondanks verschuivingen, verplaatsingen en ander gepruts ook het klankbeeld van dit gave orgel kon worden teruggewonnen. Ik moet er hier aan herinneren, dat slechts weinig pijpen van Müller/Schwartsburg zijn. Het merendeel is ouder.  

Tóch kan worden gehoord, dat er sprake is van een Müller-concept. Wat we als kenmerkend voor Müller hebben leren onderscheiden, een intensieve, in de hogere prestant-registers snijdende klank met een zeer grote versmelting in het plenum, is ook hier aanwezig. Vooral de Quint 3 vt disc. en Octaaf 2 vt dragen tot dat snijdend karakter bij, de Mixtuur is door zijn samenstelling, het gering aantal koren en de intonatie in zichzelf milder. Opvallend is de bereikte perfectie in versmelting tussen Mixtuur en Sexquialter wanneer ze samen worden gebruikt met de grondstemmen. Bijzonder is de klank van de Roerfluit 8 vt: een duidelijk Roerfluit-karakter, maar daarnaast vooral vol met een meditatieve ondertoon. De Roerquint 3 vt werkt heel overtuigend als versterker van de grondtoon. Met de Trompet is het merkwaardig gesteld. Alleen beluisterd overtuigt het register allerminst. Een scherpe, wat kelige è-klank die te weinig evenwicht met de grondtoon lijkt te hebben. Maar in combinatie met plenumregistraties gebeurt er iets wonderlijks. De boventoonrijkdom van de labiaalstemmen grijpt samen met die van de Trompet en de duidelijke grondtoon van de grondstemmen vult dat gebrek bij de Trompet aan. Desondanks zal nog wat aan details gewerkt worden, met name aan de sterkte van het klein octaaf. Ook een onwillige frontpijp (eis') heeft nog de aandacht. Dit bereikte klankbeeld is echter allerminst vanzelfsprekend tevoorschijn gekomen. Daarom is groot respect op zijn plaats voor het minutieus gepuzzel, de kennis van en het begrip voor het Müller-klankbeeld, en het vakmanschap om dit alles weer hoorbaar te maken.


Bericht uit het tijdschrift Kerk en Muziek 1988-04, waarbij het jaartal 1800 1726 moet zijn en Beetsterzwaag moet worden vervangen door Beetgum.

Bronnen

  1. Beide bestekken in: Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarchief Leeuwarden), mv. nr 83
  2. Rijksarchief Leeuwarden, Schwarzenberg archief inv nr. 2994 en 2996<
  3. Ibidem, nr. 3001
  4. Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarchief Leeuwarden), Rekeningboek1738-1810,iny. nr. 110; Rekeningboek 1811-1858,inv.nr. 111
  5. Enkele details omtrent de restauratie van 1953, en meer bijzonderheden omtrent de jongste restauratie verkreeg ik mondeling van de heer A. H. de Graaf te Leusden
  6. Boek: Het historische orgel in Nederland 1726-1769 blz. 39-41
  7. Tijdschrift: Het orgel 1983/01 Orgelbouwnieuws
  8. Tijdschrift: Het orgel 1988/01 Het orgel in de Hervormde kerk te Westerbork door Jan Jongepier.
  9. Tijdschrift: de Mixtuur 60 juni 1988 Kroniek
  10. www: http://reliwiki.nl/index.php?title=Westerbork,_Hoofdstraat_12_-_Stefanus
Van Oeckelen-orgel te Beetgum


Foto Geert Jan Pottjewijd


Foto Geert Jan Pottjewijd De kerk van Beetgum