Veenhuizen,
Rooms-Katholieke kerk
Informatie over de kerk
Bron: Victor Timmer een 'Drents' orgel in Noord-Brabant: Over het laatste werk van de orgelmakers Timpe in Veenhuizen Artikel uit de bundel "Abraham zien en andere artikelen over het orgel" voor de 50ste verjaardag van Gerard Verloop.
1822:
Na zich reeds eerder te hebben gevestigd te
Frederiksoord, stichtte de Maatschappij van Weldadigheid in 1822 een
kolonie in de
buurtschap Veenhuizen (ten noordwesten van Assen), waar 3000 ha woeste
grond werd
aangekocht om te ontginnen. Deze nieuwe kolonie was bestemd voor
vondelingen en wezen,
waarvan er in 1823 meer dan 2000 arriveerden uit Amsterdam, het jaar
daarop gevolgd door
bejaarden en vervolgens ook bedelaars. Het zou een eufemisme zijn te
beweren, dat de
nieuwe bewoners er een zedelijk hoogstaand leven op na hielden, ook
niet nadat de Staat in
1859 de Maatschappij had overgenomen. De diverse rapporten kenschetsten
de toestand eerder
als allerbedroevendst. Het is hier echter niet de plaats daarop in te
gaan. Ten behoeve
van de geestelijke noden der bewoners werden in 1825-1826 twee kerken
gebouwd. De fraaie
achtkantige Hervormde kerk en een Rooms-katholieke kerk, welke laatste
was gewijd aan
Hiëronymus Aemilianus (vader der wezen). In beide gebouwen
stond aanvankelijk geen orgel.
In 1856 plaatste Petrus van Oeckelen in de Hervormde
kerk het
orgel, dat J. A. Hillebrand in 1821 had vervaardigd voor de Hervormde
kerk te Akkrum. Daar
was het vervangen door een nieuw Van
Oeckelen-orgel, evenals
het Hillebrand-orgel voorzien van een loos rugwerkfront.
1835:
De Rooms-katholieke statie schafte zich reeds twintig jaar tevoren een
orgel aan. Daartoe
was in mei 1835 een contract
gesloten met de Groninger orgelmakers
J.W. Timpe & Zoon, dat voorzag in de bouw van een
éénklaviers orgel met als
dispositie:
Prestant 8'
Holpijp 8'
Fluit 4'
Mixtuur
Volgens het bewaard gebleven bestek (zie bijlage)
was op de lade
plaats gereserveerd voor de registers Bourdon 16', Octaaf 4' en Fluit
2'. Vermeldenswaard
is ook de opmerking over het klavierbeleg. Aangezien van de zijde der
Maatschappij geen
steun viel te verwachten, moest voor het merendeel van de bouwkosten
(525 gulden) een
beroep worden gedaan op vrijwillige bijdragen. De Naamlijst die men
daartoe in 1836 liet
rondgaan bracht ruim 425 gulden op.
Hoewel volgens het contract het orgel uiterlijk 1 november 1835 gereed
zou moeten zijn,
werd het eerst vijf maanden na dato in gebruik genomen. Voor de
examinatie werd aangezocht
C. Meijboom, van 1822 tot zijn dood in 1858 organist van de Hervormde
kerk te Assen (2). Deze meende
echter te moeten bedanken: "uit hoofde ik geene
genoegzame kennis van het mechanique van het werk, hebbe, en neemt men
iets aan te
beoordeelen dan moet men het een Zoo wel als het ander volgens het
geweten naar waarheid
kunnen doen" (3). Een
opmerkelijk blijk van zelfkennis,
waaraan zich ook tegenwoordig nog sommige or~anisten zouden mogen
spiegelen ! Wie in zijn
plaats eventueel het orgel heeft geexamineerd is onbekend. De
ingebruikneming moet hebben
plaats gevonden op 3 april 1836 (4).
Het is niet bekend wie na opheffing van de firma Timpe het onderhoud
overnam en in 1842 en
1843 kleine reparaties uitvoerde voor f12,-, resp. f19,-.
1845-1873:
Of het orgel bevredigend functioneerde valt mogelijk te
betwijfelen, gezien het feit
dat reeds in 1845 een grote reparatie werd uitgevoerd voor maar liefst
f 450,-
Het is niet precies vast te stellen, waaraan dit bedrag werd besteed:
Mogelijk is het
instrument voorzien van een aangehangen pedaal (waarover in het
contract uit 1835 niet was
gerept) en dateert de Octaaf 2' uit dat jaar. In ieder geval verscheen
in de dispositie
een Salicet 4' op de plaats van de Mixtuur. Ook werd het orgel
verfraaid met
vleugelstukken, zoals blijkt uit één der
Memoriales:
"Reparatie orgel f 450,- Een paar vleugels aan het orgel f 19,
het schilderen
daarvan f 15; het aanzetten ervan f 8 ". In daaropvolgende jaren is
geregeld sprake
van kleine reparaties: 1848: f1. 23,83 , 1849: reparatie en stemmen f1.
43,85 , 1850: idem
f1. 16,25 , 1851: f1. 9,75. In 1852 wordt naast een bedrag van f1. 7,32
ook nog eens extra
uitgegeven voor reparatie f1. 75,82 , plus f1. 1,50 voor een ijzeren
tree aan het orgel".
De dispositie op dat moment is niet precies bekend: Broekhuyzen
omschrijft het instrument
slechts als een "acht voets werk", zonder de
dispositie te vermelden (5). Een
inventaris uit 1855 spreekt van "een orgel met vijf
registers, op de zyden met loofwerk versierd"(6). Ook in de
volgende jaren worden steeds kleine reparaties verricht, zonder dat
daarbij een orgelmaker
wordt genoemd.
1873:
In september 1873 stemt de Leeuwarder orgelmaker C. B. Adema
het orgel (7); een maand later
doet hij dit ook in de Hervormde kerk en wijzigt hij
bovendien de dispositie van het Timpe-orgel: De Salicet 4' wordt
vervangen door een Viola
8' (met C-B als Quintadeen 8'). Tevens wordt het klavierbeleg opnieuw
genageld. De totale,
onkosten (f 80,-) zijn later vergoed door de Rijksbetaalmeester. In de
Kerkrekening staat
verder nog genoteerd: "31 oct. Bij de herstelling en
vernieuwing van het orgel
verblijfkoste en twee wagens voor den Heer Adema f 3,50 Aan W1Lukassen
verblijfkosten van den knecht f 2,50".
1874:
Ook in december 1874 verrichtte Adema een stembeurt (voor f 25,-); hij
werd daartoe per
rijtuig van het station in Assen afgehaald ! En passant stemde hij ook
de piano's van de
directeur en de apotheker van de Rijkswerkinrichtingen.
1893:
In later tijd kwam het onderhoud terecht bij de orgelmaker N. S. Leyser
(8)
te Zutphen, zoals bleek in 1893: In dat jaar werd een nieuwe kerk
ingewijd, die evenals de
pastorie eigendom werd van het Rijk. Dit gold ook voor de inventaris
van het kerkgebouw,
echter met uitzondering van het orgel! Vermoedelijk was het Rijk
hiervoor afgeschrikt door
de hoge verplaatsings- en reparatiekosten van het instrument. Het is
trouwens de vraag of
de beoogde werkzaamheden ook echt nodig waren. Vermoedelijk zag Leyser
in de overplaatsing
een goede gelegenheid voor wat extra werk. Dit klinkt ook door in een
brief van pastoor
Dorresteyn aan de Aartsbisschop te Utrecht (9):
"( ) Monseigneur, de groote reparatie en schoone verbetering
die nodig worden
geoordeeld schijnen te komen van de orgelmaker, die jaarlijks op kosten
van het Rijk moet
stemmen. Het komt mij echter voor ( ) dat het orgel, zoals het nu is,
met eene kleine
reparatie best zal voldoen voor de nieuwe kerk".
In een bijschrift wordt opgemerkt, dat het orgel op kosten van het
kerkbestuur zal worden
overgeplaatst en gerepareerd. Wat de door Leyser gewenste werkzaamheden
inhielden, blijkt
uit een brief van ruim twee weken later, als de Aartsbisschop wordt
gevraagd de
overplaatsing te subsidiëren. Daarbij citeert pastoor
Dorresteyn uit een brief van
Leyser:
"De vermoedelijke waarde van het orgel is f 600 tot f 700,
zonder verplaatskosten
(inclusief verplaatsing f 900,-) ( ) En het orgel te vergroten met
Bourdon 16 vt en Prest.
6 vt en blaasbalg te veranderen voor de som van f 600 en zoude het
orgel het orgel
uitstekend voldoen".
Niet lang daarna deelde Leyser mee, dat de verplaatsingskosten f 200,-
zouden bedragen,
met hulp van drie timmerlieden uit het Gesticht. Een
blaasbalgverandering was niet nodig,
wel adviseerde hij het orgel te laten vergroten. Twee weken later ging
hij akkoord met de
overplaatsing voor het genoemde bedrag. Naar aanleiding van deze zaak
noteerde pastoor
Dorresteyn: "jammer dat het orgel niet door de staat is
overgenomen, maar het
speelt nog best".
1894:
Er werd een reparatie toegestaan aan D.Ansingh & Co.
uit Zwolle (10).
1904:
Tien jaar later bleek het orgel "zeer bouwvallig" te
zijn geworden.
Brieven van pastoor Fock aan "Utrecht" maakten melding van twee
offertes voor
herstel. Daarvan had het door Leyser ingediende plan de volgende inhoud:
"Volgens mededeling van den Heer Leyser orgelfabrikant te
Zutphen, zal het orgel
in de R.K.Kerk binnen korten tijd geheel onbruikbaar zijn, wanneer niet
eenige
noodzakelijke reparatien van het instrument geschieden. Deze reparatien
zijn door
bovengenoemden als volgt gespecificeerd:
| 1e. | Een nieuw mecanique klavier en windlade |
50 |
| 2e. | Blaasbalg vergrooten met nieuwe pompers |
80 |
| 3e. | Schoonmaaken en bijbrengen van Octaaf 4 voet met pijpstokken en roosters |
290 |
| 4e. | Winkelhaakblok met winkelhaken |
12,50 |
| 5e. | Twaalf houten pijpen voor holpijp |
60 |
|
590,50 |
(Indien alle
werkzaamheden tegelijk zouden kunnen worden
uitgevoerd, zou er een korting van 10 % worden gegeven)
Daarnaast was ook een offerte ingediend door Naaml. Vennootschap D.
Ansingh & Co. te
Zwolle, welke o.a. het volgende omvatte: "Voor herstel 2 mensen 3 weken
bij werk
meubel schilderen plusminus een week". Verder vermeldde het plan:
Schoonmaak, pijpen weer 'stemmend maken', nieuw celluloid klavier,
herstel blaasbalg,
alles tezamen met het verhelpen van resterende mankementen voor de som
van f 325 - f 385.
Bovendien zou tijdens de restauratie gratis een flink harmonium in de
kerk worden
geplaatst. Laatstgenoemde firma ontving de opdracht en niet Leyser,
namens welke
orgelmaker blijkbaar W. K. Beukema uit Groningen als vertegenwoordiger
optrad.
Aangezien de parochie bovengenoemde kosten niet zou kunnen opbrengen,
werd toestemming
gevraagd het orgel te mogen overdragen aan het Rijk, dat de benodigde
financiën wel wilde
verstrekken. De Aartsbisschop stemde hiermee in, mits de Staat zou
instaan voor reparatie
en verder onderhoud. Op 22 november 1904 vond ten overstaan van de
Asser notaris D. A. M.
de Fremery de gratis overdracht plaats van het orgel aan de Staat der
Nederlanden,
vertegenwoordigd door Mr. J. P. H. Gallee, directeur van de
Rijkswerkinrichtingen, onder
voorwaarde dat de nieuwe eigenaar het orgel "in volkomen bruikbaren
staat laat
herstellen en blijft onderhouden, zoodat het voortaan weder ten behoeve
van den dienst in
bedoelde Roomsch Katholieke Kerk kan worden gebruikt" (11).
Aangezien de financiële administratie van de Rijkswerkinrichtingen over de volgende decennia in later tijd is gesaneerd, zijn er vrijwel geen verdere lotgevallen bekend uit de volgende periode.
1953:
Wel weten
we, dat het orgel in 1953 grondig werd nagezien door een
"gedetineerde-orgelbouwer"(!); twee jaar later volgde nog een reparatie
en werd
een windmotor geplaatst.
1960:
In 1960 werd het orgel gedemonteerd en overgedragen aan de
Rijksinspecteur voor Roerende
Zaken. Het instrument werd opgeslagen in één van
de ruimten van de Gevangenpoort te
's-Gravenhage. Voor Veenhuizen betekende de verhuizing van het
Timpe-orgel geen
vooruitgang: Ter vervanging werd een orgel van Standaart geplaatst,
afkomstig uit een
theater in Tilburg. (15)
Foto's 01, 02 vanuit http://www.kerkeninbeeld.nl
| Manuaal I: | C-c4 | Manuaal II: | C-c4 |
| 1. Bourdon | 16’ | Bourdon | 8’ |
| 2. Bourdon | 8’ | Diapason | 8’ |
| 3. Diapason | 8’ | Flute | 4’ |
| 4. Flute | 4’ | Viola | 4’ |
| 5. Viola | 4’ | Octaaf | 4’ |
| 6. Octaaf | 4’ | Flute | 2’ |
| 7. Flute | 2’ | Viola | 8’ |
| 8. Twelfth | 2 2/3’ | ||
| 9. Tierce | 1 3/5’ | ||
| 10. Octaaf | 2’ |
Aangehangen pedaal C-e1.
2003: Bovenstaand theaterorgel wordt door leden van de NOF (Nederlandse Orgel Federatie) op dit moment gerestaureerd. Er wordt een Vox Humana toegevoegd. Een accordeon register en verder metallofoon/xylofoon van hout en nog wat slagwerk zoals trommel/castagnettes/sleebells/tamboerijn. Het wordt weer een kompleet bioscooporgel voor het geven van concerten. (17)
2009: Restauratie door de gebr. Van der
Meulen, met in een later stadium inschakeling van een orgelmaker voor de
intonatie. (18)
1963-1967: (Halsteren)
Foto rechts uit de orgelencyclopedie deel 1819-1840 blz. 333
Na decennia lang voor allerlei doeleinden te zijn gebruikt kreeg de
eeuwen oude
St.Martinuskerk te Halsteren weer een kerkelijke bestemming: Na
gerestaureerd te zijn werd
het gebouw in 1962 in gebruik genomen door de Hervormde Gemeente ter
plaatse. Van het
interieur, dat opnieuw moest worden ingericht zijn bijna alle
onderdelen van elders
afkomstig, zoals o.a. een fraaie 17e eeuwse kansel (12).
Ook een orgel ontbrak en dit probleem werd opgelost door de aankoop van
het voormalige
orgel uit Veenhuizen (13). De
officiële aankoop vond plaats medio
mei 1963. Het instrument (inmiddels reeds naar Halsteren overgebracht)
zou moeten worden
gerestaureerd met Rijkssteun onder advies van Dr. M. A. Vente en daarna
worden geplaatst
op een nieuw ontworpen balkon. Begin mei van dat jaar had de firma K.
B. Blank & Zn te
Utrecht reeds een plan ingediend voor de algehele restauratie naar de
oorspronkelijke
toestand. Op dat moment was de dispositie als volgt:
| Holpijp | 8' | geheel oud |
| Prestant | 8' | geheel oud, 41 frontpijpen waarvan 10 loos en 23 binnenpijpen |
| Viola | 8' disc | oud maar niet origineel |
| Lege sleep | cancellen, sleep en pijpenstok van onderen zijn geboord. Pijpenstok is niet doorgeboord - originele toestand | |
| Fluit | 4' | geheel oud |
| Octaaf | 2' | 12 grootste nieuw, vanaf klein c oorspronkelijk Octaaf 2' |
| Celeste | 8' | later aangebracht, vermoedelijk in plaats van een tongwerk |
Na
bestudering van de windlade (waarbij bleek dat
originele boringen met stroken leer waren dichtgeplakt) en het
pijpwerk, kon worden
vastgesteld, dat de plaats van de Viola oorspronkelijk bestemd was voor
een 1-2 sterke
vulstem ("Quint 2 2/3' bas en Sesquialter 2 sterk discant"). Zoals
destijds meer
gebruikelijk was, heeft men wel een technisch onderzoek uitgevoerd,
maar vond men
blijkbaar het opstellen van een historisch rapport van minder belang.
Naar de aldus uit
bovengenoemd onderzoek herkende 'oorspronkelijke staat' zou het
instrument worden terug
gebracht. Tot het moment van voltooiing van dit werk maakte men zolang
gebruik van een
Mignon unit-orgel van Verschueren
De restauratie van het Timpe-orgel vond plaats op de voor die tijd
gangbare 'harde' wijze:
Er werd een geheel nieuwe windvoorziening aangelegd met een nieuwe
windmotor en een kleine
spaanbalg onder de lade; tractuur en registratuur werden geheel
vernieuwd (met o.a. een
zwevend opgehangen wellenraam), de lade werd grondig gerestaureerd en
aan twee zijden
voorzien van een trekvrije mahonieplaat, in de pijpstokken werd een
verend sleepsysteem
aangebracht (telescoophulzen) en verder werden o.a. de ventielen waar
mogelijk smaller en
spitser gemaakt.
Ook het pijpwerk werd grondig gerestaureerd en in de 'oorspronkelijke'
toestand
teruggebracht, o.a. door het verwijderen van alle niet-originele
intonatiekunstgrepen
(zoals bijv. kernsteken); bij het opnieuw intoneren (van zowel het
oude, als het nieuwe
pijpwerk) zou worden afgezien van het toepassen van kernsteken. De
bestaande toonhoogte
zou blijven gehandhaafd.
Hoewel volgens het restauratieplan het werk eind 1964 voltooid zou
kunnen zijn, duurde het
tot 1967 voor het instrument weer in gebruik kon worden genomen.
Sindsdien is de dispositie (in ladevolgorde) (14):
| Prestant | 8' | oud, alle frontpijpen (behalve de bovenste tussenvelden), rest op de lade; bas vrij wijd (enkele pijpen in de middentoren verkropt), discant eng van mensuur (strijkend); frontpijpen met vergulde labia en tinfoelie. |
| Holpijp | 8' | oud, geheel metaal, erg wijde discant, geen volle toon. |
| Octaaf | 4' | nieuw, enge mensuur, zeer boventonig. |
| Sesquialter | II | C-c' alleen 2 2/3', vanaf c' 2 2/3 en1 3/5' nieuw, eng van mensuur, hard en schel van toon. |
| Fluit | 4' | oud, spits ingeritste bovenlabia, baarden, bas gedekt, discant open fluit; bescheiden van toon, grondtonig. |
| Octaaf | 2' | oud, ronde ingedrukte bovenlabia, vrij enge mensuur, hoogste octaaf nieuw, enkele pijpjes zijn verlengd. |
| Dulciaan | 8' | nieuw, eiken koppen en stevels, boventonigsnaterend, Duits tongwerk van matige kwaliteit. |
Hoewel de
restauratie technisch gezien naar de toen
gangbare eisen goed is uitgevoerd, is het totaal resultaat zeker niet
representatief voor
het werk dat de firma Blank tegenwoordig aflevert: Daarvoor is met name
de samenhang
tussen oud en nieuw pijpwerk te gering, waardoor het instrument zich al
te weinig als
eenheid presenteert. Afgezien daarvan vormt het gerestaureerde orgel
natuurlijk wel een
aanzienlijke verbetering in vergelijking met het unit-orgel van
Verschueren, dat overigens
een nieuw onderdak vond in een psychiatrische inrichting ter plaatse.
Noten:
*********************************************************************************
Contract van Aanbesteding
Pastoor en Kerk meesters der Roomsch Katholyke gemeente inde
Maatschappy van weldadigheid
te Veenhuizen voornemens zynde een Nieuw-Orgel
in hun Kerkgebouw te doen
plaatsen, zyn met de orgelmakers J:W:Timpe & Zoon
te Groningen omtrent het
maken en plaatsen van een Nieuw-Orgel voor de zomma
van Vijfhonderd Vijf &
Twintig Guldens over een gekomen als volgt.
Art. 1.
De kast des orgels zal gemaakt worden van best Vuren en grynen hout,
dezelve zal Vyftien
voeten hoog, Acht voeten, en vier duim breed, en Drie Voeten zes duimen
diep wezen, zy zal
best en sterk bewerkt, met losse luiken, om overal waar het nodig is
gemakkelyk by het
binnen werk te kunnen komen, voorzien zyn, en de ornamenten en
aanzicht, derzelve, zal
weezen naar aard, van bygevoegde en afgegevene tekening des orgels.
Art. 2.
De windlade van het te maken orgel zal eene
sleepwindlade wezen, gemaakt van best
droog wagenschots hout, zeven voeten lang, twee vt. zes duim breed,
verdeeld in vier en
vijftig tonen van Groot C tot F /// gestreept, voorzien met losse
ventielen of kleppen die
er naar willekeur kunnen uitgenomen worden, met geel kooperen
aanhangdraden1 veeren
en stiften.- Verders zal deze sleepwindlade zoo zyn ingerigt, dat
naderhand op dezelve zes
of zeven registers of stemmen gemakkelyk kunnen geplaatst worden als
buiten de art. 5
genoemde van Boerdon Zestien Voet, octaaf viet voet en Fluit twee Voet.
Art. 3.
De Blaasbalg van dit orgel zal zeven voeten lang
Drie voeten drie duim breed wezen,
drie bladen van best vurenhoud ter dikte van duim, de plooyen of vouden
van best
wagenschot ter dikte van een half duim hebben enop allen zyden evenweid
ter hoogten van
Zeventien of achttien duim opengaans. Onder dezen Blaasbalg zal de
schepbalg met deszelfs
windkanaal worden aangebragt vandezelfde specie gemaakt zyn als het
vorigen van dit Art.
endit alles met best wit schapen ieder bekleed worden./ de Voet maat
word bedoeld
groninger maat/ voor alle art. vatbaar.
Art. 4.
Het Handkiavier lopende van 0 tot F drie gestreept voor Vier en Vyftig
tonen zal van best
droog wagenschots hout gemaakt worden, de onder toetsen zullen met best
zwart Ebbenhoud
belegd wezen, gelyk ook de boven toetsen welke laatste echter op de
bovenzyde met wit
yvoor zullen opgelegd zyn. Het hier toe behorende welraam verdeeld als
het bovenstaande
ter lengten vande windlade, en ter breedte van het Klavier zal ook van
best droog
wagenschotshoud gemaakt zn.- De Honderd en acht arrenas en stiften, de
vier en vyftig
winkelhaken en aanhangsdraden zullen van Geel koper weezen.
Art. 5.
Op bovengenoemde windlade in het te maken Orgel
zullen gezegde orgelmakers
verpligt wezen te plaatsen /
le. Een Prestant van Acht voeten, gemaakt van Best Bankatin in het gezicht/
2e. Holpijp
Acht voet
3e. Fluit van vier voet
4e. Mixtuur _____________
Deze drie laatste voorwerpen zullen gemaakt worden van Een Derde Tin en
twee Derde Lood.
Art.6.
Het orgel met alle zyne genoemde of ongenoemde
toebehoorzelen zal tegen den Eerste
November van dit lopende jaar Achttien Honderd Vijf en Dertig,
niet alleen gemaakt
maar ook inhet Roomsch Katholyke Kerkgebouw te Veenhuizen
geplaatst weezen, en op
kosten vanden makers in eenen behoorlyken Order gezet weezen, zoo dat
het zonderen
verderen werkzaamheden aan het zelve kan bespeeld worden, zonder te
verven dit is voor
rekening der Heeren uitbesteeders.
Art.7.
Het Orgel zal in zyn geheel en allen zynen
spreekende deelen eenen volmaakte goede
toon en eenen vlugge aanspraak hebben, en in orchest toon met gelyk
zwevende Temperatuur
gestemd wezen, zoo dat allen toonen goed en vlug kan gespeeld worden.
Art. 8.
De plaatsing van het Orgel zullen Een
of twee onpartydige deskundigen
het Orgel Examineeren, het welk als het niet goed,
of naar deze artiekels niet
gemaakt te zyn bevonden, of in geenen deelen aande aftekeing voldoet of
iets mogt
ontbreken, zal door den maker verbeterd worden, alvorens betaling te
ontvangen. Wanneer
het Echter volgens dezen artiekels en aftekening gemaakt en buitendien
goed is bevonden,
zuilen heren aanbesteders na de goedkeuring Drie Honderd
Gulden uit betalen, en
voorts het resterende inde loop van het jaar Achtien Honderd
Zes & Dertig
voldoen.
Art. 9.
De orgelmakers zullen echter voor die gebreeken,
welke voor het grootste gedeelten
uit het maken van het orgel voort vloeijen, Zes
agter eenvolgenden jaren lang voor
het werk moeten instaan.
Art. 10.
Zoo lang ten laatste de orgelmakers met plaatsing
en in een ander voegen van het orgel
ingezegd Kerkgebouw werkzaam is, zullen hem Heeren uitbesteeders op
hunnen kosten van
Woning en Levensbehoeften voorzien.
Tot verbinding en nakoming van deze artiekelen zyn twee Eensluidende
afschriften gemaakt
en Eigenhandig ondertekend.
Veenhuizen den Eerste Mei, Achtien Honderd 35
| Groningen den Mei 1835 | De Pastoor A. BRUUNS |
|
J.W.Timpe |
van der Mey, de Bie |
| De orgelmakers orgelmaker | De Kerk Meesters |
|
B.N.Timpe |
J. Stuyve |

Engels
koororgel:
Het orgel staat opgesteld in het koor van de kerk, tegenover het
theaterorgel.
Het is in 1843 gebouwd door de Engelse orgelbouwer Thomas J. Robson in
een
neo-gotische kas. Bevat twee klavieren en een vrij pedaal. Het is het
begeleidingsinstrument van het Roder Jongenskoor. (16)