Veenhuizen, Rooms-Katholieke kerk

Informatie over de kerk

Bron: Victor Timmer een 'Drents' orgel in Noord-Brabant: Over het laatste werk van de orgelmakers Timpe in Veenhuizen Artikel uit de bundel "Abraham zien en andere artikelen over het orgel" voor de 50ste verjaardag van Gerard Verloop.

1822: Na zich reeds eerder te hebben gevestigd te Frederiksoord, stichtte de Maatschappij van Weldadigheid in 1822 een kolonie in de buurtschap Veenhuizen (ten noordwesten van Assen), waar 3000 ha woeste grond werd aangekocht om te ontginnen. Deze nieuwe kolonie was bestemd voor vondelingen en wezen, waarvan er in 1823 meer dan 2000 arriveerden uit Amsterdam, het jaar daarop gevolgd door bejaarden en vervolgens ook bedelaars. Het zou een eufemisme zijn te beweren, dat de nieuwe bewoners er een zedelijk hoogstaand leven op na hielden, ook niet nadat de Staat in 1859 de Maatschappij had overgenomen. De diverse rapporten kenschetsten de toestand eerder als allerbedroevendst. Het is hier echter niet de plaats daarop in te gaan. Ten behoeve van de geestelijke noden der bewoners werden in 1825-1826 twee kerken gebouwd. De fraaie achtkantige Hervormde kerk en een Rooms-katholieke kerk, welke laatste was gewijd aan Hiëronymus Aemilianus (vader der wezen). In beide gebouwen stond aanvankelijk geen orgel. In 1856 plaatste Petrus van Oeckelen in de Hervormde kerk het orgel, dat J. A. Hillebrand in 1821 had vervaardigd voor de Hervormde kerk te Akkrum. Daar was het vervangen door een nieuw Van Oeckelen-orgel, evenals het Hillebrand-orgel voorzien van een loos rugwerkfront.

1835: De Rooms-katholieke statie schafte zich reeds twintig jaar tevoren een orgel aan. Daartoe was in mei 1835 een contract gesloten met de Groninger orgelmakers J.W. Timpe & Zoon, dat voorzag in de bouw van een éénklaviers orgel met als dispositie:
Prestant 8'
Holpijp 8'
Fluit 4'
Mixtuur  

Volgens het bewaard gebleven bestek (zie bijlage) was op de lade plaats gereserveerd voor de registers Bourdon 16', Octaaf 4' en Fluit 2'. Vermeldenswaard is ook de opmerking over het klavierbeleg. Aangezien van de zijde der Maatschappij geen steun viel te verwachten, moest voor het merendeel van de bouwkosten (525 gulden) een beroep worden gedaan op vrijwillige bijdragen. De Naamlijst die men daartoe in 1836 liet rondgaan bracht ruim 425 gulden op.
Hoewel volgens het contract het orgel uiterlijk 1 november 1835 gereed zou moeten zijn, werd het eerst vijf maanden na dato in gebruik genomen. Voor de examinatie werd aangezocht C. Meijboom, van 1822 tot zijn dood in 1858 organist van de Hervormde kerk te Assen (2). Deze meende echter te moeten bedanken: "uit hoofde ik geene genoegzame kennis van het mechanique van het werk, hebbe, en neemt men iets aan te beoordeelen dan moet men het een Zoo wel als het ander volgens het geweten naar waarheid kunnen doen" (3). Een opmerkelijk blijk van zelfkennis, waaraan zich ook tegenwoordig nog sommige organisten zouden mogen spiegelen ! Wie in zijn plaats eventueel het orgel heeft geexamineerd is onbekend. De ingebruikneming moet hebben plaats gevonden op 3 april 1836 (4).
Het is niet bekend wie na opheffing van de firma Timpe het onderhoud overnam en in 1842 en 1843 kleine reparaties uitvoerde voor f12,-, resp. f19,-.


Bericht uit Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 6, 1849, no 19, 01-10-1849 met de werkzaamheden van Timpe in 1835

1845-1873:
Of het orgel bevredigend functioneerde valt mogelijk te betwijfelen, gezien het feit dat reeds in 1845 een grote reparatie werd uitgevoerd voor maar liefst f 450,-
Het is niet precies vast te stellen, waaraan dit bedrag werd besteed: Mogelijk is het instrument voorzien van een aangehangen pedaal (waarover in het contract uit 1835 niet was gerept) en dateert de Octaaf 2' uit dat jaar. In ieder geval verscheen in de dispositie een Salicet 4' op de plaats van de Mixtuur. Ook werd het orgel verfraaid met vleugelstukken, zoals blijkt uit één der Memoriales:
"Reparatie orgel f 450,- Een paar vleugels aan het orgel f 19, het schilderen daarvan f 15; het aanzetten ervan f 8 ". In daaropvolgende jaren is geregeld sprake van kleine reparaties: 1848: f1. 23,83 , 1849: reparatie en stemmen f1. 43,85 , 1850: idem f1. 16,25 , 1851: f1. 9,75. In 1852 wordt naast een bedrag van f1. 7,32 ook nog eens extra uitgegeven voor reparatie f1. 75,82 , plus f1. 1,50 voor een ijzeren tree aan het orgel".
De dispositie op dat moment is niet precies bekend: Broekhuyzen omschrijft het instrument slechts als een "acht voets werk", zonder de dispositie te vermelden (5). Een inventaris uit 1855 spreekt van "een orgel met vijf registers, op de zyden met loofwerk versierd"(6). Ook in de volgende jaren worden steeds kleine reparaties verricht, zonder dat daarbij een orgelmaker wordt genoemd.


1873:
In september 1873 stemt de Leeuwarder orgelmaker C. B. Adema het orgel (7); een maand later doet hij dit ook in de Hervormde kerk en wijzigt hij bovendien de dispositie van het Timpe-orgel: De Salicet 4' wordt vervangen door een Viola 8' (met C-B als Quintadeen 8'). Tevens wordt het klavierbeleg opnieuw genageld. De totale, onkosten (f 80,-) zijn later vergoed door de Rijksbetaalmeester. In de Kerkrekening staat verder nog genoteerd: "31 oct. Bij de herstelling en vernieuwing van het orgel verblijfkoste en twee wagens voor den Heer Adema f 3,50 Aan W1Lukassen verblijfkosten van den knecht f 2,50".

1874: Ook in december 1874 verrichtte Adema een stembeurt (voor f 25,-); hij werd daartoe per rijtuig van het station in Assen afgehaald ! En passant stemde hij ook de piano's van de directeur en de apotheker van de Rijkswerkinrichtingen.

1893:
In later tijd kwam het onderhoud terecht bij de orgelmaker N. S. Leyser (8) te Zutphen, zoals bleek in 1893: In dat jaar werd een nieuwe kerk ingewijd, die evenals de pastorie eigendom werd van het Rijk. Dit gold ook voor de inventaris van het kerkgebouw, echter met uitzondering van het orgel! Vermoedelijk was het Rijk hiervoor afgeschrikt door de hoge verplaatsings- en reparatiekosten van het instrument. Het is trouwens de vraag of de beoogde werkzaamheden ook echt nodig waren. Vermoedelijk zag Leyser in de overplaatsing een goede gelegenheid voor wat extra werk. Dit klinkt ook door in een brief van pastoor Dorresteyn aan de Aartsbisschop te Utrecht (9):
"( ) Monseigneur, de groote reparatie en schoone verbetering die nodig worden geoordeeld schijnen te komen van de orgelmaker, die jaarlijks op kosten van het Rijk moet stemmen. Het komt mij echter voor ( ) dat het orgel, zoals het nu is, met eene kleine reparatie best zal voldoen voor de nieuwe kerk".
In een bijschrift wordt opgemerkt, dat het orgel op kosten van het kerkbestuur zal worden overgeplaatst en gerepareerd. Wat de door Leyser gewenste werkzaamheden inhielden, blijkt uit een brief van ruim twee weken later, als de Aartsbisschop wordt gevraagd de overplaatsing te subsidiëren. Daarbij citeert pastoor Dorresteyn uit een brief van Leyser:
"De vermoedelijke waarde van het orgel is f 600 tot f 700, zonder verplaatskosten (inclusief verplaatsing f 900,-) ( ) En het orgel te vergroten met Bourdon 16 vt en Prest. 6 vt en blaasbalg te veranderen voor de som van f 600 en zoude het orgel het orgel uitstekend voldoen".
Niet lang daarna deelde Leyser mee, dat de verplaatsingskosten f 200,- zouden bedragen, met hulp van drie timmerlieden uit het Gesticht. Een blaasbalgverandering was niet nodig, wel adviseerde hij het orgel te laten vergroten. Twee weken later ging hij akkoord met de overplaatsing voor het genoemde bedrag. Naar aanleiding van deze zaak noteerde pastoor Dorresteyn: "jammer dat het orgel niet door de staat is overgenomen, maar het speelt nog best".
Bericht rechts uit het Nieuwsblad van het Noorden 22-03-1893


1894:
Er werd een reparatie toegestaan aan D.Ansingh & Co. uit Zwolle (10).

1904:
Tien jaar later bleek het orgel "zeer bouwvallig" te zijn geworden. Brieven van pastoor Fock aan "Utrecht" maakten melding van twee offertes voor herstel. Daarvan had het door Leyser ingediende plan de volgende inhoud:
"Volgens mededeling van den Heer Leyser orgelfabrikant te Zutphen, zal het orgel in de R.K.Kerk binnen korten tijd geheel onbruikbaar zijn, wanneer niet eenige noodzakelijke reparatien van het instrument geschieden. Deze reparatien zijn door bovengenoemden als volgt gespecificeerd:

1e. Een nieuw mecanique klavier en windlade 50
2e. Blaasbalg vergrooten met nieuwe pompers 80
3e. Schoonmaaken en bijbrengen van Octaaf 4 voet met pijpstokken en roosters 290
4e. Winkelhaakblok met winkelhaken 12,50
5e. Twaalf houten pijpen voor holpijp 60
590,50
(Indien alle werkzaamheden tegelijk zouden kunnen worden uitgevoerd, zou er een korting van 10 % worden gegeven)

Daarnaast was ook een offerte ingediend door Naaml. Vennootschap D. Ansingh & Co. te Zwolle, welke o.a. het volgende omvatte: "Voor herstel 2 mensen 3 weken bij werk meubel schilderen plusminus een week". Verder vermeldde het plan:
Schoonmaak, pijpen weer 'stemmend maken', nieuw celluloid klavier, herstel blaasbalg, alles tezamen met het verhelpen van resterende mankementen voor de som van f 325 - f 385. Bovendien zou tijdens de restauratie gratis een flink harmonium in de kerk worden geplaatst. Laatstgenoemde firma ontving de opdracht en niet Leyser, namens welke orgelmaker blijkbaar W. K. Beukema uit Groningen als vertegenwoordiger optrad.
Aangezien de parochie bovengenoemde kosten niet zou kunnen opbrengen, werd toestemming gevraagd het orgel te mogen overdragen aan het Rijk, dat de benodigde financiën wel wilde verstrekken. De Aartsbisschop stemde hiermee in, mits de Staat zou instaan voor reparatie en verder onderhoud. Op 22 november 1904 vond ten overstaan van de Asser notaris D. A. M. de Fremery de gratis overdracht plaats van het orgel aan de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door Mr. J. P. H. Gallee, directeur van de Rijkswerkinrichtingen, onder voorwaarde dat de nieuwe eigenaar het orgel "in volkomen bruikbaren staat laat herstellen en blijft onderhouden, zoodat het voortaan weder ten behoeve van den dienst in bedoelde Roomsch Katholieke Kerk kan worden gebruikt" (11).

Aangezien de financiële administratie van de Rijkswerkinrichtingen over de volgende decennia in later tijd is gesaneerd, zijn er vrijwel geen verdere lotgevallen bekend uit de volgende periode.

1953: Wel weten we, dat het orgel in 1953 grondig werd nagezien door een "gedetineerde-orgelbouwer"(!); twee jaar later volgde nog een reparatie en werd een windmotor geplaatst.

1960: In 1960 werd het orgel gedemonteerd en overgedragen aan de Rijksinspecteur voor Roerende Zaken. Het instrument werd opgeslagen in één van de ruimten van de Gevangenpoort te 's-Gravenhage. Voor Veenhuizen betekende de verhuizing van het Timpe-orgel geen vooruitgang: Ter vervanging werd een orgel van Standaart geplaatst, afkomstig uit een theater in Tilburg. (15) Dit wordt tegengesproken door nader onderzoek in 2009/2010 (19)

Foto's huidige orgel door Frits Kaan (21)

Manuaal I: C-c4 Manuaal II: C-c4
1. Bourdon 16’ Bourdon 8’
2. Bourdon 8’ Diapason 8’
3. Diapason 8’ Flute 4’
4. Flute 4’ Viola 4’
5. Viola 4’ Octaaf 4’
6. Octaaf 4’ Flute 2’
7. Flute 2’ Viola 8’
8. Twelfth 2 2/3’    
9. Tierce 1 3/5’    
10. Octaaf 2’    
Aangehangen pedaal C-e1.


2003: Bovenstaand theaterorgel wordt door leden van de NOF (Nederlandse Orgel Federatie) op dit moment gerestaureerd. Er wordt een Vox Humana toegevoegd. Een accordeon register en verder metallofoon/xylofoon van hout en nog wat slagwerk zoals trommel/castagnettes/sleebells/tamboerijn. Het wordt weer een kompleet bioscooporgel voor het geven van concerten. (17)

2009:  Restauratie door de gebr. Van der Meulen, met in een later stadium inschakeling van een orgelmaker voor de intonatie. (18)

2010: Bericht Willem van der Meulen d.d. 22-06-2010: "Eind 2008 heb ik van Rijksgebouwendienst toestemming gekregen om het pijporgel-gedeelte te herstellen. Mijn broer en ik doen dat op basis van vrijwilligheid; alleen de materiaalkosten worden op basis van declaratie vergoed. Er is een slechts een beperkt budget beschikbaar. Het orgel verkeerde in erbarmelijke staat. De diverse pijpen stonden al naast de gaten. De windvoorziening lekte aan alle kanten. Bij het schakelen van de registers bij koud of vochtig weer moest je afwachten of het inschakelde en of het wel weer uitschakelde. Elektrotechnisch is nu gekozen voor een modulair systeem. Voor de besturing zal gebruik worden gemaakt van een soort PLC, - een eenvoudige programmeerbare pc -; de bedrading is zodanig opgebouwd dat het eenvoudig demonteerbaar is, met behulp van patchpanels en netwerkstekers met UTP-kabel. E.e.a. om het orgel op eenvoudige wijze te kunnen demonteren en weer opbouwen, e.e.a in overleg met de Rijksgebouwendienst. Kort onderzoek i.s.m. de rijksbouwmeester uit Den Haag leerde, dat het orgel niet uit een bioscoop uit Tilburg kan zijn, zoals andere bronnen wel eens vermelden. In april 2009 zijn we daadwerkelijk begonnen. Het gehele orgel is gedemonteerd, de complete bedrading is vervangen (bijna klaar); windladen van nieuw afdichtvilt voorzien, electro(-pneumatische) klepjes opnieuw bedraad en stuurbalgjes opnieuw beleerd, etc, etc. De orgelkas is verstevigd. Klavieren opnieuw bedraad. Gehele speeltafel gereviseerd en opnieuw gelakt etc,etc. Als laatste zal een orgelbouwer de intonatie verzorgen, en die iets meer afstemmen op het gebruik in de RK-eredienst. Wij verwachten nu dat tegen het eind van dit jaar het orgel weer speelklaar is". (19)
De intonatie wordt gedaan door Rene Nijsse. Bij de voorbereiding voor deze restauaryie is intensief contact geweest met de NOF, met name met Bert Van Rossum en ook Bert-Jan de Waard voor de electronica.  Het instrument dateert het uit de jaren '20 van de 20e eeuw, gezien een opschrift in een pneumatisch stuurbalgje.(20)


2012:  VEENHUIZEN - Vrijdag werd het orgel in de voormalige rooms katholieke kerk H. Hieronymus Aemilianus in Veenhuizen opnieuw in gebruik genomen. Het voormalige theaterorgel, gebouwd in 1923 van de vorige eeuw door Standaart te Rotterdam en afkomstig uit een theater in Tilburg, vertoonde als gevolg van ouderdom en verwaarlozing grote gebreken. Willem en Johannes van der Meulen kwamen met het voorstel om dit electro-pneumatische orgel te restaureren en in 2008 is afgesproken dat de broers als vrijwilliger het werk ter hand zouden nemen, waarbij de Rijksgebouwendienst de benodigde materialen zou vergoeden. In ruim drie jaar en met 2000 uren op de teller, is onder advisering van de Nederlandse Orgel Federatie, het orgel in de oude glorie hersteld. Daarbij is de oude besturing vervangen door een moderne elektronische aansturing. Bekend orgelbouwer René Nijsse uit Oud-Sabbinge heeft het orgel gestemd en volgens kenners klinkt het als nooit tevoren. (22)

Bericht door RTV Drenthe d.d. 20 april 2012: http://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/3688/Orgel-uit-1923-opnieuw-in-gebruik-genomen


1963-1967: (Halsteren)


Foto uit de orgelencyclopedie deel 1819-1840 blz. 333 (25)

Na decennia lang voor allerlei doeleinden te zijn gebruikt kreeg de eeuwen oude St.Martinuskerk te Halsteren weer een kerkelijke bestemming: Na gerestaureerd te zijn werd het gebouw in 1962 in gebruik genomen door de Hervormde Gemeente ter plaatse. Van het interieur, dat opnieuw moest worden ingericht zijn bijna alle onderdelen van elders afkomstig, zoals o.a. een fraaie 17e eeuwse kansel (12).
Ook een orgel ontbrak en dit probleem werd opgelost door de aankoop van het voormalige orgel uit Veenhuizen (13). De officiële aankoop vond plaats medio mei 1963. Het instrument (inmiddels reeds naar Halsteren overgebracht) zou moeten worden gerestaureerd met Rijkssteun onder advies van Dr. M. A. Vente en daarna worden geplaatst op een nieuw ontworpen balkon. Begin mei van dat jaar had de firma K. B. Blank & Zn te Utrecht reeds een plan ingediend voor de algehele restauratie naar de oorspronkelijke toestand. Op dat moment was de dispositie als volgt:

Holpijp 8' geheel oud
Prestant 8' geheel oud, 41 frontpijpen waarvan 10 loos en 23 binnenpijpen
Viola 8' disc oud maar niet origineel
Lege sleep   cancellen, sleep en pijpenstok van onderen zijn geboord. Pijpenstok is niet doorgeboord - originele toestand
Fluit 4' geheel oud
Octaaf 2' 12 grootste nieuw, vanaf klein c oorspronkelijk Octaaf 2'
Celeste 8' later aangebracht, vermoedelijk in plaats van een tongwerk

Na bestudering van de windlade (waarbij bleek dat originele boringen met stroken leer waren dichtgeplakt) en het pijpwerk, kon worden vastgesteld, dat de plaats van de Viola oorspronkelijk bestemd was voor een 1-2 sterke vulstem ("Quint 2 2/3' bas en Sesquialter 2 sterk discant"). Zoals destijds meer gebruikelijk was, heeft men wel een technisch onderzoek uitgevoerd, maar vond men blijkbaar het opstellen van een historisch rapport van minder belang. Naar de aldus uit bovengenoemd onderzoek herkende 'oorspronkelijke staat' zou het instrument worden terug gebracht. Tot het moment van voltooiing van dit werk maakte men zolang gebruik van een Mignon unit-orgel van Verschueren

De restauratie van het Timpe-orgel vond plaats op de voor die tijd gangbare 'harde' wijze: Er werd een geheel nieuwe windvoorziening aangelegd met een nieuwe windmotor en een kleine spaanbalg onder de lade; tractuur en registratuur werden geheel vernieuwd (met o.a. een zwevend opgehangen wellenraam), de lade werd grondig gerestaureerd en aan twee zijden voorzien van een trekvrije mahonieplaat, in de pijpstokken werd een verend sleepsysteem aangebracht (telescoophulzen) en verder werden o.a. de ventielen waar mogelijk smaller en spitser gemaakt.
Ook het pijpwerk werd grondig gerestaureerd en in de 'oorspronkelijke' toestand teruggebracht, o.a. door het verwijderen van alle niet-originele intonatiekunstgrepen (zoals bijv. kernsteken); bij het opnieuw intoneren (van zowel het oude, als het nieuwe pijpwerk) zou worden afgezien van het toepassen van kernsteken. De bestaande toonhoogte zou blijven gehandhaafd.
Hoewel volgens het restauratieplan het werk eind 1964 voltooid zou kunnen zijn, duurde het tot 1967 voor het instrument weer in gebruik kon worden genomen.

Sindsdien is de dispositie (in ladevolgorde) (14):
Prestant 8' oud, alle frontpijpen (behalve de bovenste tussenvelden), rest op de lade; bas vrij wijd (enkele pijpen in de middentoren verkropt), discant eng van mensuur (strijkend); frontpijpen met vergulde labia en tinfoelie.
Holpijp 8' oud, geheel metaal, erg wijde discant, geen volle toon.
Octaaf 4' nieuw, enge mensuur, zeer boventonig.
Sesquialter II C-c' alleen 2 2/3', vanaf c' 2 2/3 en1 3/5' nieuw, eng van mensuur, hard en schel van toon.
Fluit 4' oud, spits ingeritste bovenlabia, baarden, bas gedekt, discant open fluit; bescheiden van toon, grondtonig.
Octaaf 2' oud, ronde ingedrukte bovenlabia, vrij enge mensuur, hoogste octaaf nieuw, enkele pijpjes zijn verlengd.
Dulciaan 8' nieuw, eiken koppen en stevels, boventonigsnaterend, Duits tongwerk van matige kwaliteit.
Hoewel de restauratie technisch gezien naar de toen gangbare eisen goed is uitgevoerd, is het totaal resultaat zeker niet representatief voor het werk dat de firma Blank tegenwoordig aflevert: Daarvoor is met name de samenhang tussen oud en nieuw pijpwerk te gering, waardoor het instrument zich al te weinig als eenheid presenteert. Afgezien daarvan vormt het gerestaureerde orgel natuurlijk wel een aanzienlijke verbetering in vergelijking met het unit-orgel van Verschueren, dat overigens een nieuw onderdak vond in een psychiatrische inrichting ter plaatse.

Bronvermelding:
  1. Tenzij anders vermeld, zijn de in dit artikel verwerkte gegevens ontleend aan het parochie-archief, dat op 4 en 5 januari 1979 werd geraadpleegd. Het bevond zich op dat moment in ongeordende toestand ter plaatse. Inmiddels is het in bewaring gegeven bij het Rijksarchief te Assen en aldaar geïnventariseerd. Gegevens over het Ontstaan van de kolonie werden verder nog ontleend aan:-J.Griepink, Beknopte geschiedenis van de parochie Sint Hieronymus Aemilianus te Veenhuizen, 1826 - 1976, z.pl., z.j. -J.L.Terwen, Het Koningrijk der Nederlanden, Gouda 1858, p. 676.
  2. Mededeling van dhr. W. D. v. d. Kleij te Emmen.
  3. Parochie-archief, brief van C. Meijboom aan pastoor Bruuns, d.d. 30 maart 1836.
  4. RA Groningen, archief Bisdom Groningen, dossier Veenhuizen, brief van pastoor Dorresteyn, d.d. 4 februari 1893 (met bijschrift d.d. 17 februari 1893).
  5. Mededeling van dhr. W.D.v.d.Kleij te Emmen.
  6. Bron: Zie noot 4.
  7. Gegevens over de werkzaamheden van C. B. Adema werden mij verstrekt Ton van Eck te Voorburg.
  8. Mogelijk familie van A. B. Leyser (van 1877 - 1884 pastoor te Veenhuizen) ? S. Leyser was waarschijnlijk verwant met één van de firmanten van de Maastrichtse firma Pereboom & Leyser. Van hen betrok N. S. Leyser complete orgels, zoals de instrumenten te Brummen (St.Andreaskerk, 1894) en vermoedelijk ook Oosterbeek (St.Bernulphuskerk, 1901, sinds 1923 in de R. K. kerk te Steggerda).
  9. Zie noot 4.
  10. Een piano- en orgelhandel te Zwolle, opgericht in 1875 (mededeling van dhr. W. D. v. d. Kleij te Emmen).
  11. Een afschrift van de daarbij opgestelde acte van overdracht berust bij de administratie Hoofddirectie Gevangeniswezen te Veenhuizen (Met dank aan dhr. Mulder voor het verstrekken van een copie).
  12. Naar gegevens ontleend aan:
    Frans Jespers, Repertorium van orgels en orgelmakers in Noord-Brabant tot omstreeks 1900, 's-Hertogenbosch 1983, p. 117.
    Wies van Leeuwen, Langs de oude Brabantse kerken (Westelijk Brabant), Baarn 1976, p. 108 - 109.
  13. Gegevens betreffende de aankoop van het orgel en het restauratieplan van de fa. K. B. Blank & Zn. werden verstrekt door dhr. J. Coppoolse te Halsteren. Enige aanvullende informatiè werd verder nog verstrekt door dhr. J. M. H. Broeders te Oosterhout.
  14. Naar gegevens van Frans Jespers te Voerendaal.
  15. Mededeling van dhr. W. D. v. d. Kleij te Emmen.
  16. Informatie van Frits Kaan via een E-Mail d.d.wo 13-11-2002 12:33. Hij heeft zijn informatie uit het boek van drs. M.R. Hillebrandie-Meijer: "Kerken in Drenthe".
  17. Informatie van  Bert Scheepstra uit Assen via E-Mail d.d. ma 21-4-2003 13:38
  18. Informatie van Pieter van Herwaarden per mail d.d. 30-7-2009
  19. E-Mail van Willem van der Meulen d.d. 22-06-2010
  20. E-mail van Willem van der Meulen d.d. 24-06-2010
  21. E-mail door Frits Kaan d.d. 29-08-2011
  22. www: http://www.dekrant-info.nl/cultuur/26935-orgel-rk-kerk-veenhuizen-opnieuw-in-gebruik.html
  23. www: http://reliwiki.nl/index.php?title=Veenhuizen,_Kerklaan_6_-_Hieronymus_Aemilianus
  24. www: http://reliwiki.nl/index.php?title=Halsteren,_Dorpsstraat_20_-_Martinus (Halsteren)
  25. Boek: Het historische orgel in Nederland 1819-1840 blz. 333
*********************************************************************************
Contract van Aanbesteding

Pastoor en Kerk meesters der Roomsch Katholyke gemeente inde Maatschappy van weldadigheid te Veenhuizen voornemens zynde een Nieuw-Orgel in hun Kerkgebouw te doen plaatsen, zyn met de orgelmakers J:W:Timpe & Zoon te Groningen omtrent het maken en plaatsen van een Nieuw-Orgel voor de zomma van Vijfhonderd Vijf & Twintig Guldens over een gekomen als volgt.

Art. 1.
De kast des orgels zal gemaakt worden van best Vuren en grynen hout, dezelve zal Vyftien voeten hoog, Acht voeten, en vier duim breed, en Drie Voeten zes duimen diep wezen, zy zal best en sterk bewerkt, met losse luiken, om overal waar het nodig is gemakkelyk by het binnen werk te kunnen komen, voorzien zyn, en de ornamenten en aanzicht, derzelve, zal weezen naar aard, van bygevoegde en afgegevene tekening des orgels.

Art. 2.
De windlade van het te maken orgel zal eene sleepwindlade wezen, gemaakt van best droog wagenschots hout, zeven voeten lang, twee vt. zes duim breed, verdeeld in vier en vijftig tonen van Groot C tot F /// gestreept, voorzien met losse ventielen of kleppen die er naar willekeur kunnen uitgenomen worden, met geel kooperen aanhangdraden1 veeren en stiften.- Verders zal deze sleepwindlade zoo zyn ingerigt, dat naderhand op dezelve zes of zeven registers of stemmen gemakkelyk kunnen geplaatst worden als buiten de art. 5 genoemde van Boerdon Zestien Voet, octaaf viet voet en Fluit twee Voet.

Art. 3.
De Blaasbalg van dit orgel zal zeven voeten lang Drie voeten drie duim breed wezen, drie bladen van best vurenhoud ter dikte van duim, de plooyen of vouden van best wagenschot ter dikte van een half duim hebben enop allen zyden evenweid ter hoogten van Zeventien of achttien duim opengaans. Onder dezen Blaasbalg zal de schepbalg met deszelfs windkanaal worden aangebragt vandezelfde specie gemaakt zyn als het vorigen van dit Art. endit alles met best wit schapen ieder bekleed worden./ de Voet maat word bedoeld groninger maat/ voor alle art. vatbaar.

Art. 4.
Het Handkiavier lopende van 0 tot F drie gestreept voor Vier en Vyftig tonen zal van best droog wagenschots hout gemaakt worden, de onder toetsen zullen met best zwart Ebbenhoud belegd wezen, gelyk ook de boven toetsen welke laatste echter op de bovenzyde met wit yvoor zullen opgelegd zyn. Het hier toe behorende welraam verdeeld als het bovenstaande ter lengten vande windlade, en ter breedte van het Klavier zal ook van best droog wagenschotshoud gemaakt zn.- De Honderd en acht arrenas en stiften, de vier en vyftig winkelhaken en aanhangsdraden zullen van Geel koper weezen.

Art. 5.
Op bovengenoemde windlade in het te maken Orgel zullen gezegde orgelmakers verpligt wezen te plaatsen /

le. Een Prestant van Acht voeten, gemaakt van Best Bankatin in het gezicht/

2e. Holpijp Acht voet
3e. Fluit van vier voet
4e. Mixtuur _____________
Deze drie laatste voorwerpen zullen gemaakt worden van Een Derde Tin en twee Derde Lood.

Art.6.
Het orgel met alle zyne genoemde of ongenoemde toebehoorzelen zal tegen den Eerste November van dit lopende jaar Achttien Honderd Vijf en Dertig, niet alleen gemaakt maar ook inhet Roomsch Katholyke Kerkgebouw te Veenhuizen geplaatst weezen, en op kosten vanden makers in eenen behoorlyken Order gezet weezen, zoo dat het zonderen verderen werkzaamheden aan het zelve kan bespeeld worden, zonder te verven dit is voor rekening der Heeren uitbesteeders.

Art.7.
Het Orgel zal in zyn geheel en allen zynen spreekende deelen eenen volmaakte goede toon en eenen vlugge aanspraak hebben, en in orchest toon met gelyk zwevende Temperatuur gestemd wezen, zoo dat allen toonen goed en vlug kan gespeeld worden.

Art. 8.
De plaatsing van het Orgel zullen Een of twee onpartydige deskundigen het Orgel Examineeren, het welk als het niet goed, of naar deze artiekels niet gemaakt te zyn bevonden, of in geenen deelen aande aftekeing voldoet of iets mogt ontbreken, zal door den maker verbeterd worden, alvorens betaling te ontvangen. Wanneer het Echter volgens dezen artiekels en aftekening gemaakt en buitendien goed is bevonden, zuilen heren aanbesteders na de goedkeuring Drie Honderd Gulden uit betalen, en voorts het resterende inde loop van het jaar Achtien Honderd Zes & Dertig voldoen.

Art. 9.
De orgelmakers zullen echter voor die gebreeken, welke voor het grootste gedeelten uit het maken van het orgel voort vloeijen, Zes agter eenvolgenden jaren lang voor het werk moeten instaan.

Art. 10.
Zoo lang ten laatste de orgelmakers met plaatsing en in een ander voegen van het orgel ingezegd Kerkgebouw werkzaam is, zullen hem Heeren uitbesteeders op hunnen kosten van Woning en Levensbehoeften voorzien.
Tot verbinding en nakoming van deze artiekelen zyn twee Eensluidende afschriften gemaakt en Eigenhandig ondertekend.

Veenhuizen den Eerste Mei, Achtien Honderd 35

J.W.Timpevan der Mey, de BieB.N.TimpeJ. Stuyve
Groningen den Mei 1835 De Pastoor A. BRUUNS
De orgelmakers orgelmaker De Kerk Meesters




Engels koororgel:
Dit orgel heeft een tijdje opgesteld gestaan in het koor van de kerk, tegenover het theaterorgel. Het is in 1843 gebouwd door de Engelse orgelbouwer Thomas J. Robson in een neo-gotische kas. Bevat twee klavieren en een vrij pedaal. Het werd gebruikt als begeleidingsinstrument van het Roder Jongenskoor. (16)