Meppel, Gereformeerde kerk

Onbekend jaar: Onbekend instrument geplaatst op basis van informatie uit het hieronder staande krantenbericht uit De standaard van 12 september 1913.

1913: De orgelmaker H. van der Molen uit Steenwijk plaatst een orgel, waarvan de dispositie onbekend is (01). Het orgel werd volgens het hiernaast opgenomen krantenbericht uit De Standaard van vrijdag 12 september 1913 ingespeeld door dhr. Godefroi uit Steenwijk. Het onbekende oude instrument werd verplaatst naar de Christelijk Gereformeerde kerk te Hoogeveen aan de Bentickslaan. (07) Dit orgel werd in 1937 door de firma J. Reil te Heerde voor f. 400, - ingenomen. Vermoedelijk is het toen verplaatst naar de Gereformeerde kerk te Daarlerveen (02).

1934: H. Pijlman wordt hier organist. (04)

meppel04.jpg (25938 bytes)1937: Nieuw orgel door Walcker uit Duitsland.(03)
De bouw van het huidige orgel te Meppel vond plaats onder advies van Jan Hermannus Besselaar jr. uit Rotterdam, Jan Bos Kz. Uit Wildervank en Henk Pijlman, sinds 1934 organist ter plaatse. Met de twee eerstgenoemden als adviseur lag de keuze voor de firma E.F.Walcker & Cie. voor de hand. Bos bespeelde immers als vaste organist Walckers opus 1747, in 1913 door hem en zijn halfbroer Hinderk Bos Kzn. geschonken aan de Gereformeerde kerk van Wildervank. Besselaar was vanaf de oplevering in 1916 tot aan zijn benoeming aan de Grote of Sint- Laurenskerk in 1929 organist van Walckers opus 1855, door genoemde Hinderk Bos geschonken aan de Gereformeerde kerk van Rotterdam en geplaatst in de eveneens grotendeels door Hinderk en zijn halfbroer Hendrikus Bos bekostigde Nieuwe Zuiderkerk. Dit laatste instrument, in 1970-1972 geplaatst in de Martinikerk te Doesburg, gold als het belangrijkste en grootste instrument in de gereformeerde kerken van ons land.
Het frontontwerp in Meppel vertoont opmerkelijke parallellen met architect Tjeerd Kuipers’ monumentale frontontwerp voor het orgel van Wildervank. Direct herkenbaar zijn onder meer de flankerende pijpenvelden naast de drie ronde torens, de gelaagde opstelling van de pijpen in de tussenvelden en het overhoeks doorlopen van de buitenste zijvelden. De plaatsing boven een uit drie bogen bestaande loggia verleent het front in Meppel een indrukwekkend voorkomen.
De dispositie van het Walcker-orgel van Meppel toont aan dat de tijd in de ruim twintig jaar na de oplevering van de zusterorgels in Wildervank en Rotterdam niet had stilgestaan. Kan met name het Rotterdamse orgel worden beschouwd als zijnde sterk beïnvloed vanuit de Elzasser Orgelreform; na de oplevering van dit instrument was orgelbouwer Oscar Walcker sterk betrokken bij de ontwikkeling van de Duitse Orgelbewegung, onder meer door intensieve contacten met Willibald Gurlitt bij de bouw van het Praetorius-orgel van de Universiteit van Freiburg (1921) en met Christhard Mahrenholz bij de restauratie (1932/33) van het Hildebrandt-orgel te Naumburg. Ook Besselaar moet met de ideeën van de Orgelbewegung vertrouwd zijn geweest, onder meer door contacten met zijn Hamburgse collega Alfred Sittard, welke tijdens de Freiburger Orgeltagung van 1926 het genoemde Praetorius-orgel demonstreerde en op 5 juni 1931 op uitnodiging van Besselaar in de Rotterdamse Sint Laurenskerk een orgelbespeling met louter oude muziek verzorgde. In 1933 stelde Besselaar voor een koororgel in de Sint-Laurenskerk te plaatsen, te gebruiken in liturgische diensten waarin een op te richten knapen- en mannenkoor werken zou kunnen uitvoeren van ondermeer Bach en Hándel, alsmede psalmen van Sweelinck, wereken uit de Oud-Nederlandse school en wereken van Cesar Franck, Pierné en anderen. Besselaars dispositieontwerp voor dit nooit gebouwde Rotterdamse koororgel vertoont een treffende overeenkomst met de eveneens door hem ontworpen dispositie voor Meppel.
De Meppeler Courant van 17 december 1937 omschreef de gedachte achter Besselaars ontwerp als volgt:
"De dispositie, zoowel van het eerste als van het tweede klavier, is, wat de klankcombinaties betreft, in evenwicht gehouden. Alle fluitstemmen zijn gelijkmatig verdeeld in sterke en zachte toonkarakters. Het geheele werk is zeer vol en krachtig, doch steeds rond van toon. Het orgel kan door middel van een rolzweller van het meest zachte register (de aeoline) gelijkmatig aanzwellen tot het krachtigste geluid. Wel is het uitsluitend bestemd voor het begeleiden van de zang in de godsdienstoefeningen, doch het kan evengoed dienen voor het vertolken van groote klassieke orgelwerken en die van de laatste tijd’.
In De Radiobode van 5 april 1935 formuleerde Besselaar - door het bestuur van de AVRO aangesteld als adviseur voor een te bouwen studio-kerkorgel - de eisen die een orgel volgens hem in staat stelden “de werken van de klassieke meesters zowel als die van de modernste orgelcomponisten geheel tot hun recht te laten komen” als volgt: “Voor de uitvoering van klassieke werken moet het orgel beschikken over een voldoende aantal grondgeluiden met vele daarbij behorende vulstemmen en mixturen. Voor de moderne muziek heeft men vooral nodig een grote verscheidenheid in klankkleuren en velerlei combinatiemogeljkheden”.
Zowel voor het AVRO-orgel als voor het orgel van Meppel adviseerde Besselaar voor de meervoudige vulstemmen de zogenaamde Silbermann-mensuur toe te passen, zoals door Walcker eerder toegepast in Wildervank en Rotterdam: “Waar men nu weet, dat Bach de orgels van Silbermann en Hildebrand prees, behoeft men niet te vragen, waarom op een instrument met Silbermann-mensuren de werken van den groten Thomas-cantor zo goed tot hun recht te komen” Het AVRO-orgel diende vervolgens te worden geïntoneerd “naar de aard van de oud-Hollandse orgels”, terwijl in De Harp van januari 1938 ook de intonatie in Meppel werd geroemd als “van een oud-Hollandsch degelijk karakter”.
De door de Orgelbewegung gestimuleerde terugkeer naar het mechanische sleepladenorgel werd door Oscar Walcker niet overgenomen, mede omdat er naar zijn bevindingen geen sprake was van intonatietechnische verschillen. Zo verkeeg het orgel van Meppel een elektropneumatische traktuur, inclusief de toepassing van een tweetal vrije combinaties, een vrij instelbaar planopedaal en een registercrescendorol. Wel ontbreken in Meppel - evenals bij Besselaars voorstellen voor het AVRO-orgel - de in het Wildervanker en het Rottterdams/Doesburgse instrument prominent aanwezige vaste combinaties, alsmede de vele octaafkoppels met de daarbij behorende uitbouw van de windladen. Vanuit de Orgelbewegung beïnvloed is in Meppel zeker ook de uitvoering van de Open Fluit van het hoofdwerk als Koppelfluit. Evenmin als de orgels van Wildervank en Rotterdam bleef het orgel van Meppel gaaf bewaard. (06

19xx: De speeltafel wordt verplaatst.

1979: De hoofdbalg wordt vervangen.  (06)

1981: Restauratie door Walcker. De speeltafel gaat terug naar de originele plaats. (05) De elektrische tractuur wordt integraal vernieuwd, waarbij de bestaande windladen door nieuwe sleepladen worden vervangen; dit echter met behoud van de oude stokken en roosters. De Posaune, welke voorheen van c bestond als transmissie van de hoofdwerktrompet, werd thans geheel van eigen pijpen voorzien. Het complete originele pijpenbestand alsmede alle originele speelhulp- en nevenregisterfuncties bleven gehandhaafd waarmee het orgel ondanks de wijzigingen in de techniek nog steeds een goed beeld geeft van de hoge artistieke intenties van 1937.  (06)

199x: Herziening van de intonatie op basis van een hogere winddruk door de oud Walcker-medewerker Burkhard Klimke.  (06)

Dispositie:

Manuaal I C-g3 Manuaal II C-g3 Pedaal C-f1
Prestant 16' Nachthoorn 16' (Quintadeen) Contrabas 16' tr.
Prestant 8' Hornprinzipal 8' Open Subbas 16'
Dubbelfluit 8' c-gis2 hout open Flute Harmonique 8' (niet overblazend) Harmonikabas 16'
Gamba 8' Baarpijp 8' (c-h2 roerfluit) Gedektbas 8'
Gemshoorn 8' Aeoline 8' Octaafbas 8' tr.
Prinzipaal 4' Celeste 8' (vanaf c) Violonbas 8' tr.
Open Fluit 4' (Koppelfluit) Speelfluit 4' (overblazend vanaf d1) Choralbas 4' tr.
Quint 2 2/3' Gemshoorn 4' Klein Mixtuur V tr.
Octaaf 2' Flautino 2' (Fis-f1 overblazend) Posaune 16' (C-f1 1981)
Cornet III-IV Sesquialtera II    
Mixtuur V Cymbel III-IV    
Basson 16' Schalmey 8'    
Trompet 8' Vox Humana 8'     

Koppel I-II, Koppel Ped-l, Koppel Ped-II, Tremulant II
2 Vrije combinaties,
Instelbaar pianopedaal,
Afsteller handregisters, Afsteller rolzweller,
Afsteller 1 6-registers, Afsteller tongwerken,
Zwelkas Manuaal II,
Generaal registercrescendo (rol) met aanwijzer,
Calcant, Windwijzer (06)

Noten:

  1. De Harp (1913-1914)63. Keuring en bespeling door de organist van de Grote kerk te Steenwijk J. Godefroy.
  2. de Mixtuur no 54 (1986)195. De Orgelvriend (1973)no 10/25. Oude stemmen uit dit orgel zijn: Octaaf 4’; Octaaf 2’; Mixtuur 3 sterk; Viola 8’; Quintfluit 2 2/3’; en Subbas 16’.
  3. De Harp (1938)5.
  4. AHKM. Notulen kerkvoogdij 1929-1934. Ontslagaanvrage per 1-4-1934.
  5. Het Orgel (1982)304.
  6. Boekje bij de CD van Gerben Mourik en Henk Kapaan.
  7. E-Mail bericht met het krantenartikel door Peter Dillingh d.d. 12-01-2005

meppel04a.jpg (31095 bytes)