Dalen, Hervormde kerk

Informatie over de kerk
Reportage orgellessen Cees Roubos door Tv
Drenthe zie Youtube
Bron: Zie literatuurlijst
Foto's oude situtatie 01, 02 en 03 vanuit http://www.kerkeninbeeld.nl
1850:
"Een werk dat gemaakt is om met lof en bidgezangen den hoogen God en zijnen zoon
Jezus Christus te verheerlijken" (Meester J.H.Baning, de eerste organist van
Dalen.) "Sedert jaren was erbij de Hervormde ingezetenen van Dalen en onderhorige
dorpen de wensch ontstaan om ter begeleiding van het gezang bij de openbare Godsdienst van
Orgelmuziek gebruik te kunnen maken. De nodige fondsen tot daarstelling daarvan waren
echter niet aanwezig, waarop dit tot latere tijden moest worden uitgesteld". Deze
verklaring van Kerkvoogden en Notabelen van de Hervormde Gemeente Dalen gaf precies weer,
waarom men in Dalen relatief laat een orgel in de kerk kreeg. Er was geen geld. In 1848
kreeg de Kerkvoogdij echter een belangrijke steun in de rug. In dat jaar werd namelijk bij
testament door een zekere Geesje Snoeijing, weduwe van Jan Mepschen, "eenen
hoogbejaarde zeer geachte godsdienstige vrouw alhier woonachtig aan Kerkvoogden een legaat
geschonken groot driehonderd gulden, hetgeen volgens haar uiterste wil tot bouwing van een
orgel in de Hervormde Kerk zou moeten strekken, en na haaren dood vrij van
succesie-rechten worden uitgekeerd." Nu was driehonderd gulden voor die tijd wel
een groot bedrag, maar het was te weinig, veel te weinig om er een orgel van te bouwen.
Zoals later zou blijken, was er veel meer nodig. Toen lieten de inwoners van Dalen zich
echter van hun beste kant zien. Er werd een actie gevoerd en in zes dagen tijd haalde men
maar liefst zeventienhonderd gulden op! Dominee Van Ingen, die een vurig pleitbezorger was
van het begeleiden van de gemeentezang door een orgel, tekende als eerste op de lijst. Hij
gaf een bedrag van vijfenzeventig gulden! Er was geld en er werd na een gehouden examen,
vrijwel unaniem, een organist benoemd. Meester Baning was de uitverkorene. Niets stond er
meer in de weg om een orgel te laten bouwen. Plaats was er in overvloed; in 1844 had men
een ruime gaanderij laten bouwen door aannemer Steven Lanjouw. In 1849 werd, na
beoordeling van de binnengekomen tekening en na opgave van de kosten, het werk uitbesteed
aan de orgelbouwer J.C. Scheuer en Zonen te Zwolle. Op 4 april 1849 tekende Scheuer in
Dalen de overeenkomst voor het te bouwen orgel die, in verkorte vorm, als volgt luidde:
"Bestek en Dispositie wegens het maken en daarstellen van een orgel in de kerk der
Hervormde Gemeente te Dalen, aangenomen door J.C.Scheuer te Zwolle".
"Het orgel zal bestaan uit één clavier en aangehangen pedaal bevattende de
volgende registers:
| Prestant | 8 voet | van zuiver tin (de frontpijpen.R.H.) |
| Prestant | 16 voet | discant: van metaal |
| Bourdon | 16 voet | De grootste pijpen van wagenschot, de overige van metaal |
| Holpijp | 8 voet | als boven |
| Octaaf | 4 voet | van metaal |
| Quint | 3 voet | |
| Flute douce | 4 voet | |
| Octaaf | 2 voet | |
| Gemshoorn | 2 voet | |
| Flageolet | 1 voet | |
| Trompet | 8 voet | |
| Afsluiting | ||
| Windlozing |
De orgelkast zal van grenenhout worden vervaardigd, voor de bovendekken en de
achterschotten zal vurenhout voldoende zijn. Achter het orgel komen 3 schepbalgen. De
blaasbalgen zullen worden voorzien van een afsluitbare kast. De orgelkast zal "porcelijn
wit" geverfd worden en alle pijpstukken verguld. Ter "versiering"
zullen de consoles en het houtsnijwerk aan de zijkanten van het orgel gebronsd worden met
goudbrons. De ornamenten boven op het orgel zullen wit geverfd worden en met goud en brons
hier en daar smaakvol worden afgezet. De aannemers beloofden zich naar deze regelen
"getrouw" te zullen gedragen en het orgel "duurzaam en in de beste orde"
te bouwen, "zodat hetzelve de beste goedkeuring van deskundigen zal moeten
wegdragen, blijvende de aannemers voor de deugd van het werk voortdurend instaan".
Kerkvoogden verbonden zich voor de leverantie van het hier omschreven orgel te betalen
"eene som van tweeduizend vierhonderd en vijftig gulden, en wel in twee gelijke
termijnen, het eerste bij de overeenkomst van het contract te Dalen en het tweede een jaar
later". Het laatste artikel van de overeenkomst bevatte het volgende: "Zoo
ver de materialen per water vervoerd kunnen worden, is zulks voor rekening van de
aannemers, zullen de aanbesteders voor het verdere vervoer per as tot Dalen zorg dragen".
Meester Baning wordt door de kerkvoogden verzocht om het bestek van zijn commentaar te
voorzien en hij meldt in zijn "Aanmerkings en bijvoegings op 't Bestek": "De
registers opgegeven in art. 1 laten niets te wensen over, maar", zo probeert hij,
"evenwel zou het nog goed zijn er nog bij te voegen T. Fluit travers S voet, en
Fox Humana van Metaal 8 voet". Hij moet straks op het orgel spelen en dan is het
logisch om het orgel zo uitgebreid mogelijk te krijgen. Kennelijk vinden de kerkvoogden
het zo al duur genoeg; de twee extra registers komen er niet! Baning dringt er op aan om
het pijpwerk zwaar en vooral wijd te maken en "vooral niet te digt of
opeengedrongen te plaatsen. Wij bevelen hem bovenal de Bourdon 16 voet aan, opdat het
orgel eenen goeden grond verkrijgt"
Met betrekking tot het klavier heeft hij de volgende wens: "Het ijvoor, waarmee de
toetsen opgelegd zijn, dient met nagels van zwart ebbenhout te worden bevestigd, uithoofde
de ondervinding leert, dat de lijm bij weersverandering, ofbij het bespelen met bezwete
handen, maar al te dikwijls loslaat". Hoewel het orgel voor de kerk van Dalen een
grote aanwinst is, is de omvang van het orgel bescheiden met z'n elf registers en één
klavier. Meester Baning besluit dan ook met de volgende aanbeveling:
"Zal het goede begin, dat met dit werk gemaakt wordt, op den duur geheel voltooid
worden, dan moet de gelegenheid open blijven om een tweede clavier te plaatsen. Het werk
volgens tegenwoordig bestek, kan zeer goed, zelfs uitmuntend worden, maar zal toch altijd
onvolmaakt blijven, zolang een tweede clavier ontbreekt. Een en ander moet met den
orgelmaker worden besproken, opdat die gelegenheid niet voor altijd voorbij is. Dit een en
ander moge zijn plaats vinden en opgenomen worden in zoverre het verdient; alles in eenen
eenvoudige raadgeving en mogt er eenig gebruik van worden gemaakt, dan is mijn wens
vervuld."
Met achting uwe J.Baning."
Meester Baning wil natuurlijk op een zo groot mogelijk orgel spelen, moeten de kerkvoogden
gedacht hebben, maar voorlopig is het zo mooi genoeg. Toch stemmen ze erin toe om onderin
een ruimte te reserveren voor het tweede klavier, een z.g. "onderwerk".
Hoewel Johan Christoff Scheuer het contract met de kerkvoogdij persoonlijk ondertekende en
hij nog steeds de leiding had van de orgelbouw-werkplaats aan de Goudsteeg te Zwolle,
hoefde hij het orgel niet in zijn eentje te maken. Alleen zijn leeftijd al zou dat niet
toelaten, want hij was inmiddels 72 jaar oud. Hij was zoals reeds vermeld in Coevorden
getrouwd met de dochter van zijn baas, Johanna Eek. Het echtpaar kreeg twaalf kinderen,
waarvan er echter verschillende op jeugdige leeftijd stierven. De oudste zoon Jan Eek, (op
deze wijze maakte men in die tijd heel simpel een tweede voornaam door de meisjesnaam van
de moeder hiervoor te gebruiken) werd in 1815 in Coevorden geboren. Hij kwam als eerste in
het orgelbedrijf gevolgd door z'n broers Georg Albrecht en Ernst August, die in Zwolle
geboren werden. Hiermee traden deze zonen in de voetsporen van hun vader. Voor het orgel
van Dalen werden de tekeningen door Jan Eek Scheuer gemaakt. In Zwolle waren de bouwers de
rest van het jaar 1849 en het eerste halfjaar van 1850 bezig met het vervaardigen van het
orgel. Hout, dat jarenlang gedroogd was, werd geselecteerd; pijpen werden vervaardigd en
zelfs in de voorkamer opgeslagen. Verschillende metalen onderdelen werden gemaakt en
schapenleer voor de blaasbalgen werd bewerkt en ivoor en ebbehout voor de klavieren
geschikt gemaakt. Kortom, er werd hard gewerkt om het orgel volgens afspraak in de zomer
van 1850 speelklaar te hebben. En het lukte, want in de Provinciale Drentsche & Asser
courant van 7 juni van dat jaar lezen we het volgende:
"Dalen, 6 Junij. Gisteren werd te Coevorden per schip aangevoerd, om heden per as
naar hier gebragt te worden, het door de Heeren Schuyer te Zwolle voor de Hervormde kerk
te Dalen vervaardigde orgel. Nog eenen korten tijd zal er voor de plaatsing van hetzelfde
benoodigd zijn, en de Hervormde ingezetenen van Dalen zullen zich alsdan mogen verheugen,
voor hunnen gezamelijke opofferingen, hunnen reeds lang gekoesterden wensch vervuld te
zien, door hun gemeenschappelijke kerkgezang door orgelmuzijk te hooren begeleiden."
De gebroeders Scheuer gaan in de kerk aan de slag om het orgel op te bouwen. Sinds een
aantal jaren gaat hun vader niet meer mee. Hij blijft in Zwolle, maar heeft met z'n zonen
een uitvoerige briefwisseling, waarin hij ze op de hoogte houdt van alle mogelijke grote
en kleine nieuwsfeiten. Hij voelt zich nog steeds verantwoordelijk voor de opbouw van het
instrument. Daarom geeft hij voortdurend adviezen en aanwijzingen om vooral op bepaalde
dingen te letten. Er wordt stevig doorgewerkt. Nauwlettend worden de vorderingen in de
kerk gevolgd door de Dalenaren, waaronder de correspondent van bovengenoemde krant. Hij
schrijft op 26 juli:
"Het orgel in de Hervormde Kerk te Dalen nadert zijne voltooijing; spoedig zal
daaraan de laatste hand worden gelegd; het uitwendig aanzien laat niets te wenschen over,
ook de toon van hetzelve wordt aanvankelijk door beoordeelaars geprezen. Mochten de
vervaardigers van hetzelve, welke geene moeite sparen, om daaraan eenen zoveel mogelijke
volkomenheid te geven, verder met vrucht hun werk volbrengen, dan zullen de ingezetenen
zich met genoegen herinneren het tijdstip7 waarop vooreerst het plan van een
daarstelling van een orgel bij hen tot rijpheid kwam. De inwijding van hetzelve is bepaald
op zondag den 5e Augustus aanstaande".
Als de bewuste zondag aanbreekt is het een drukte van belang in Dalen. Van heinde en ver
komende speciaal genodigden en de gewone kerkgangers om maar niets te missen van deze
belangrijke gebeurtenis. Voor een aantal mensen is het wellicht de eerste keer, dat ze een
orgel zien en horen. Ze worden niet teleurgesteld volgens het verslag in de Prov.
Drentsche & Assercourant van vrijdag 9 augustus 1850:
"Dalen 6 Aug. Gepasseerde Zondag had alhier de inwijding plaats van het nieuwe
orgel in de Hervormde kerk, een groot aantal ingezetenen benevens velen uit omliggende en
verafgelegene plaatsen woonden deze plegtigheid bij; deed het uitwendig aanzien van het
orgel wegens deszelfs netheid en sierlij ken bouw reeds eene gunstige uitwerking op de
aanwezigen, het hooren der rede, bij die gelegenheid door den leeraar uitgesproken, die
tot text had gekozen 2 Croniken 5: vers 13 en 14, als mede de begeleiding van het
orgelmuzijk bij het Godsdienstig gezang overtrof bij vele nog de hiervan gekoesterde
verwachting. Onder dankbaar opzien tot den Algoeden, die ons in de gelegenheid heeft
gesteld, door eigene bijdragen ons gemeenschappelijk godsdienstig kerkgezang door
orgelmuzijk te doen geleiden, werd door de leeraar namens de gemeente ten slotte eene
gepaste dank toegebragt aan heeren kerkvoogden dezer gemeente, welke reeds lang door eene
wijze en zuinige besturing der kerkelijke goederen de grondslagen daarvoor hadden gelegd,
alsmede aan de heeren Schuijer te Zwolle, aan wie de vervaardiging daarvan was opgedragen,
wegens hunnen welvolbragten taak, waarmede, na het geven van een Orgel-concert met zang
door het alhier bestaande zanggezelschap, des namiddags de feestvreugde een einde nam."
"Met het orgelmuzijk ter begeleiding van het godsdienstige gezang hogelijk
ingenomen", zoals de kerkvoogden zelf vinden, werd het orgelloze tijdperk als het
ware "uitgezongen". Op hele noten en uit volle borst, zoals toen gebruikelijk
was. Meester Baning, de eerste organist van Dalen zal z'n best gedaan hebben om de zang zo
goed mogelijk te begeleiden en omdat er heel langzaam werd gezongen, kon hij tussen de
zangregels mooie tussenspelen maken. Hij moet een gelukkig mens geweest zijn, temeer omdat
een van zijn belangrijkste aanbevelingen opgevolgd werd. Onderin het orgel was ruimte
gereserveerd voor het tweede klavier. "Dat is in elk geval een goed begin", moet
Baning gedacht hebben, "voorlopig maar wachten en denken over een plan om het orgel
te kunnen voltooien!"

Bericht van de ingebruikname uit de Nieuwe Rotterdamsche courant van 8 augustus
1850 (02)
Dalen had z'n eerste en enige kerkorgel. In een witte kast met gouden versieringen stak
het helder af tegen het blauwe plafond. Geen wonder dat men er trots op was! De gebroeders
Scheuer zouden het orgel echter nooit vergroten. In 1854 stierf hun vader Johan Cristoff.
Ze bouwden zelfstandig nog wel een aantal orgels, maar kennelijk misten ze toch de
bezielende leiding van hun vader. Was het een gebrek aan opdrachten of werd de
concurrentie te groot? We weten het niet, maar de drie zonen Scheuer besloten om, samen
met twee van hun zusters, te emigreren naar Zuid-Afrika!
Omdat er in die tijd nogal wat Hollandse kolonies in Zuid-Afrika gesticht werden met
bijbehorende Nederduitsch-Gereformeerde kerken, zagen ze misschien mogelijkheden om daar
kerken te voorzien van orgels. Wat de werkelijke reden ook geweest is, in 1858 namen ze
alle gereedschappen en tekeningen van de in Nederland door hen gebouwde orgels mee en ze
scheepten zich in op weg naar een nieuwe toekomst in Port Natal, Zuid-Afrika!
We doen even een flinke stap in het nabije verleden en zijn aangeland in het jaar 1970. In
Zwitserland is een zendingscongres georganiseerd en uit de gehele wereld komen
zendingspredikanten bijeen om ervaringen uit te wisselen. Een van de deelnemers is ds.
O.D. Scheuer uit Zuid-Afrika. Hij is goed op de hoogte van zijn voorouders en weet dat
zijn familie van oorsprong uit Nederland komt en dat ze hier orgelbouwers zijn geweest.
Bij een tussenstop op Schiphol raadpleegt hij nieuwsgierig het telefoonboek en komt daar
de naam Scheuer tegen! Hij neemt contact op en blijkt te maken te hebben met een nazaat
van een broer van Johan Christoff die in het begin van de negentiende eeuw van Emlichheim
naar Amsterdam vertrokken is. Aangezien deze Amsterdamse Scheuer weet, dat schrijver dezes
bezig is met een onderzoek naar zijn familie, komt ds. Scheuer naar Coevorden. Het toeval
wil, dat ik dan woon in het huis, waar Johan Christoff Scheuer in 1801 zijn intrek nam en
waar de orgelbouwerij begonnen is. Natuurlijk staat er een bezoek aan de kerk van Dalen op
het programma. De laatste keer dat een Scheuer voet in dit Godshuis heeft gezet, is meer
dan honderdtien jaar geleden! Ds. Scheuer is erg onder de indruk van de schepping van zijn
voorouders, hoewel het orgel dan in een slechte staat is. We hebben reeds vermeld dat de
fam. Scheuer een groot gedeelte van de tekeningen van de door hen vervaardigde orgels naar
hun nieuwe vaderland meenam. In 1949 hielden de nazaten in een schuur een soort
tentoonstelling van deze tekeningen. Men had ze allemaal aan de wand bevestigd. Helaas
trok een windhoos over het land en ging de schuur letterlijk de lucht in met als
dramatisch gevolg, dat bijna alle tekeningen verloren gingen. Slechts één exemplaar wist
men te redden. Ds Scheuer stuurde een copie van deze tekening en ... .het bleek de
oorspronkelijke tekening van het Daler orgel te zijn, in 1849 getekend door Jan Eek
Scheuer! Het orgel heeft nog de oorspronkelijke kleur: "Porcelijnwit". De
originele bouwtekeningen teruggevonden in een ander werelddeel; je houdt het haast niet
voor mogelijk!
1865:
Terug naar 1856; zes jaar speelt meester Baning inmiddels op het orgel. Met veel plezier,
dat wel. Maar steeds als hij de kerk betreedt en naar het orgelfront kijkt, ziet hij de
planken in de onderkast op de plaats, waar eigenlijk de frontpijpen van het tweede klavier
horen te staan. Het orgel zou zoveel mogelijkheden meer hebben om de gemeentezang te
begeleiden, maar ja, dat kost natuurlijk geld: minimaal f500,-. Als het uitgebreid gebeurt
misschien wel f1.500,-! En waar haal je dat geld vandaan? Hij is in het dorp een gezien en
invloedrijk figuur en hij besluit daar gebruik van te maken. Dalen heeft nogal wat
ingezetenen, die niet tot de armsten behoren. Hij legt hier en daar een bezoekje af en
vraagt of men eventueel zijn aktie voor de uitbreiding van het orgel financieel zou willen
steunen. Dat blijkt een goede aanpak te zijn. Hij krijgt voldoende toezeggingen om zijn
plan aan de kerkvoogden voor te leggen; zij moeten er natuurlijk mee instemmen! Meester
Baning schrijft hun een brief, die hij zo begint:
"Mijne Heren,
Gedachtig aan het gezegde dat de maatschappij meer lijdt van hen die niets doen dan van
hen die te veel doen neemt ondergeteekende, met de noodige bescheidenheid en verschuldigde
achting, de vrijheid het volgende aan het bescheiden oordeel van U, mijne Heren, te
onderwerpen, in de hoop, dat ik als tolk van velen, een gunstig antwoord moge terug
ontvangen."
Hij maakt de kerkvoogden er nog eens op attent, dat hij
de tijd rijp vindt om werk te maken van het plaatsen van het tweede klavier. Hij pakt het
slim aan, want hij maakt de kerkvoogdij een compliment voor het goede financiële beleid
in de afgelopen jaren: "Voorat, Mijne Heren, ben ik zoo vrij u te betuigen, dat
het mij een aangenaam gevoel verwekte, op het vernemen, dat de wonden in de beurs der
Kerk, bij de plaatsing van het tegenwoordige werk geslagen, - dat deze wonden niet alleen
zijn genezen, maar dat we onze Kerk heden weder in eenen financieel gezonden toestand en
zeer welvarend aantreffen". Hij stelt ze op de hoogte van de schriftelijke
toezeggingen en ondersteuning: "Niet alleen door velen die betuigen, dat het
kerkgebouw, waarin zij hunnen God vereeren en dienen, waarin ze alle week 1 à 2 maal
vergaderen, - al mogen anderen hieromtrent meer onverschillig zijn, - dat het gebouw hunne
grootste belangstelling waardig is. Vooral met het oog op den tegenwoordigen bloei onzer
gemeente."
Baning waarschuwt deze gelegenheid niet zondermeer voorbij te laten gaan. Het is een
manier om op eenvoudige wijze aan het geld te komen en het zal de kerkvoogdij niet veel
geld kosten. "Het is maar eenmalig. Noch onze kleinkinderen, noch onze
achterkleinkinderen zullen, wanneer ze bewaren, wat wij hun hebben achtergelaten, eenig
verval of verandering bespeuren".
Baning belooft, dat hij er alles aan zal doen om voor zoveel mogelijk renteloze leningen
te zorgen. Hij wil de hele gang van zaken op zich nemen onder "oppertoezigt"
van de kerkvoogdij. Het college ziet er wel wat in en geeft Baning toestemming om actie te
ondernemen maar wijst hem erop, dat hij niet meer geld moet verzamelen, dan echt
noodzakelijk is. Baning gaat met de lijst rond:"Lijst van inteekening voor het
vergrooten en verifaaien van het orgel in de Kerk te Dalen. Voor eene geringe som kan het
orgel meer dan de helft in grootte en fraaiheid winnen en derwijl het er op gemaakt is om
eeninaal zoodanig te maken zoals het behoort, is, dunkt ons, de tijd geschikt, daar de
landsman zoo bijzonder gezegend wordt en uit dankbaarheid daarvoor, wet eene gave geven
voor een werk, dat gemaakt is om met lof- en bidgezangen den hogen God en zijnen zoon
Jezus Christus te verheerlijken".
Korte tijd later schrijft Baning een brief met de uitkomst van de aktie: "Het
verheugd mij, dat ik in staat ben Kerkvoogden te kunnen verzekeren, dat bij de gegoede
klasse als mede en vooral bij den minderen stand, de meeste sympathie voor ons plan
te hebben ondervonden. Ik heb een som van f 1 .0
Het resultaat? In korte tijd doen veertien personen een toezegging voor eenenveertig
aandelen à f25,- totaal dus f1.025,-.
Dokter Heymaat doet er aan mee, evenals P. ten Hool in Dalerveen en J. Caspers (met acht
aandelen maar liefst!). Baning neemt er zelf vier. Het zijn renteloze voorschotten. Tussen
1859 en 1863 worden, door middel van loting, de aandelen weer afgelost en krijgen de
deelnemers hun geld terug. Er wordt een protocol opgemaakt, hoe het allemaal moet
verlopen. Alle 41 aandelen zijn keurig terugbetaald en bewaard gebleven! Meester Baning
laat het nu verder over aan de kerkvoogdij. Hij dringt wel aan op een spoedige beslissing,
want, hij vindt het houtwerk, dat 's zomers gemaakt wordt 10 à 20% beter dan het in de
herfst of winter vervaardigde. In een bijlage van de brief geeft hij in hoofdlijnen aan,
hoe de gewenste uitbreiding van het orgel zou moeten geschieden, alsmede de veranderingen
aan de kast en de technische wijzigingen. Hij geeft ook aan welke nieuwe registers er
zouden moeten komen. Twee registers van het huidige orgel zullen verplaatst worden naar
het nieuwe klavier, de Gemshoorn 2 voet en de Flageolet 1 voet. Op de vrijgekomen plaats
kan dan een Mixtuur 4 à 5 sterk geplaatst worden. De kosten raamt hij op ongeveer duizend
gulden. Als laatste merkt hij op: "Er zijn nog kleinigheden die allen behoorlijk
moeten beschreven worden. Niets mag aan de eerlijkheid van de orgelmakers worden
overgelaten. Wij bepalen de zaken".
Dat hij zuinig met het geld om wil gaan, bewijst z'n idee om de veranderingen aan het
houtwerk voor rekening van de kerkvoogdij te nemen. "Een knappe timmerman kan het
onder het oog van de orgelmaker ook doen". Van de uitvoering van dit idee is
echter niets gebleken!
Het geld voor de uitbreiding is, mede door de vasthoudendheid van meester Baning binnen en
zo lezen we in de Drentsche & Asser Courant van 11 oktober 1856:
"Door Kerkvoogden en Notabelen dezer Hervormde Gemeente is eenpariglijk besloten,
het orgel in de kerk te verfraaijien en te vergrooten. Het tegenwoordige werk, door
vrijwillige bijdragen tot stand gekomen en door de heeren Scheuer en Zn. te Zwolle in 1850
gemaakt, is op breede schaal aangelegd en ziet er nog zoo frisch uit, alsof het gisteren
is gemaakt. De vergrooting en verfraaijing is opgedragen aan den heer van Oeckelen van
Groningen. Wij hebben alle verwachting van dien alom bekenden meester in zijn vak die
elders met zooveel roem heeft gewerkt."
Dus niet de gebr. Scheuer, zoals voor de hand zou liggen, maar Petrus
van Oekelen, in het noorden beslist de bekendste bouwer van zijn tijd, mag het orgel
uitbreiden.
Van Oeckelen maakte een bestek, waarin de uitbreiding beschreven werd. Er kwamen zeven
nieuwe registers bij op het tweede klavier, te weten:
| Prestant | 4 vt van Engels gepolijst tin |
| Holfluit | 8 vt. |
| Viola di Gamba | 8 vt. (de vijf laagste tonen uit de holfluit) |
| Speelfluit | 4 vt |
| Gemshoorn | 2 vt van het bestaande klavier |
| Flageolet | 1 vt overgeplaatst |
| Dulciaan | 8 vt |
Op de open plaatsen van het bestaande klavier werden de registers Cornet 5 sterk en een
Mixtuur 3-4 sterk geplaatst.
Van Oeckelen paste veel eigen vindingen in z'n orgels toe. Hij wist de kerkvoogden over te
halen om in plaats van het tongwerk-register Dulciaan het door hem ontworpen register
clarinet te plaatsen. Voor deze verandering ontving hij honderd gulden extra. Dat Van
Oeckelen gezag afdwong bij de kerkvoogden, blijkt uit de voorstellen die hij deed en die
aanvaard werden. Het tweede werk kwam niet in de gereserveerde ruimte onder het orgel.
Nee, deze ruimte verviel door het bestaande gedeelte lager en het tweede werk op het
bestaande orgel te plaatsen als bovenwerk, waardoor "het geheel dan alzoo
veel in schoonheid en uiterlijk aanzien zoude winnen". Ook de zijvleugels werden
vergroot en de labiums van de frontpijpen met bladgoud versierd. Hiermee waren de
veranderingen nog niet afgelopen, want zoals de kerkvoogden zelf vastlegden: "Door
den heeren van Oeckelen werden kerkvoogden opmerkzaam gemaakt, om de sierlijkheid van het
gehele orgel als mede de glans der pijpen en het aangebragte goud te verhoogen de gewelfde
zolder der kerk, hetwelk eene blauwe kleur had, geheel door witte doen vervangen en de
kast van het orgel de kleur van pallisander te geven. Kerkvoogden zulks goedvindende
hebben daartoe besloten".
Op zondag 4 november 1857 werd het nu complete orgel ingewijd. Alweer de Provinciale
Drentsche & Assercourant berichtte: "Dalen, 4 Nov. voor de Hervormde gemeente
was deze dag een ware feestdag. Reeds den geheelen zomer waren wij verstoken geweest van
orgelmuzijk, dat volgens gewoonte ons steeds bij onzen zang begeleidde, en nu mogten wij
het genoegen smaken, dat het orgel voor het eerst weder werd bespeeld. Dit orgelwerk, in
1850 door de heeren Scheuer en Zonen op breede schaal en zeer goed aangelegd, werd dezen
zomer door de heeren P.van Oeckelen en Zonen van Groningen uitgebreid, verbeterd en
verfraaid, zoodat dit werk thans als voltooid kan worden beschouwd, en elk als een model
ter bezigtiging kan worden vertoond. Niet alleen dat het uitwendige prachtvol en sierlijk
is, zoodat men zeggen kan, dat er niets is gespaard, maar ook het inwendige, de lieflijke
en krachtige geluiden zijn zeer gelukkig uitgevallen. De heeren Van Oeckelen en Zoonen
zijn trouwens ook genoeg bekend en ware meesters in hun vak, zoodat men altijd en overal
wat goeds heeft gekregen en kan verwachten. De tongwerken, die men op verre na niet overal
goed aantreft, en die bij uitnemendheid eene bekwame hand vereischen, zijn hier bijzonder
gelukkig uitgevallen en doen den bekwamen maker waarlijk eer aan. Trok het sierlijke
orgel, ook door het uiterlijk schoon, het oog tot zich bij het binnenkomen der kerk, ook
het Bedehuis zelf had eene gewenschte verandering ondergaan, het gewelf namelijk, vroeger
in somber blaauw gestoken, vertoonde zich nu aan het oog in een helder wit waardoor de
geheele kerk een opwekkender lieflijker voorkomen heeft gekregen, welke werkzaamheden,
alsmede het beschilderen van 't orgel, uitmuntend door den heer Glas, mr.verwer te
Groningen zijn verrigt. Geen wonder dan ook, dat onze waardige leeraar, Ds.Van Ingen, bij
deze gelegenheid met bijzondere opgewekiheid, naar aanleiding van Ps. 84 :2 sprak,
degemeentegelukwenschte met het prachtige orgel, dat niet alleen voor dit geslacht, maar
zekerlijk ook voor eehige opvolgende gesl achten, is daargesteld, en in dankbare zegening
zal blijven; - de kerkvoogden in eene hartelijke toespraak voor hunne zorg en medewerking,
waardoor al dat schoone is tot stand gekomen, bedankte en ten slotte den zegen van den
Hemelschen Vader over gemeente en kerk eerbiedig afsmeekte". Zo was dan
uiteindelijk het orgel compleet. Anders dan oorspronkelijk bedoeld, een synthese van twee
heel verschillende bouwers die, elk op hun wijze, zich ingespannen hadden om het zo mooi
mogelijk te maken. (In de Grote Kerk van Hoogeveen had Scheuer in 1843 ook een orgel
gebouwd met één klavier. Waarschijnlijk hebben de Hoogeveners zich in Dalen op de hoogte
gesteld van de uitbreiding door Van Oeckelen, waardoor ze hem in 1861 opdracht gaven ook
hun orgel met een tweede klavier te vergroten.)
Opdat het nageslacht zou weten, wat er mede door hen tot stand gebracht was, legden de
kerkvoogden de gang van zaken summier vast in een "Verzameling van offcieuze
Besluiten en verrigtingen van Kerkvoogden en Notabelen der Hervormde Gemeente van Dalen.
Aangelegd in den jare 1857".
Tevens werd, ook wel een beetje uit ijdelheid, besloten om op de balk onder het orgel de
namen van de kerkvoogden, de predikant en de organist, alsmede het bouwjaar en het jaar
van uitbreiding, met goudkleurige letters aan te brengen. Ook hier maakte schilder
J.J.Glas met vakmanschap iets moois van. De ogen van menig kerkvoogd zullen tijdens de
preek wel eens afgedwaald zijn van de predikant naar het orgel met de twaalfvermelde namen
en ongetwijfeld zal een gevoel van tevredenheid zich van hem meester hebben gemaakt!
M.b.t. tot dit schilderwerk zou zich een conflict voordoen dat
voor de rechtbank werd uitgevochten.

Foto door Geert Meendering (03)
1907:
Jarenlang houdt het orgel zich prima. Zo'n vijftig jaar lang hoeft er aan het orgel geen
noemenswaardige reparatie verricht te worden. Als in 1907 het kerkgebouw helemaal
opgeknapt en van de neoklassieke gevel voorzien wordt, blijkt het orgel nogal geleden te
hebben. De kerkvoogdij besluit dan op 23 januari 1908 "het zoo fraaije instrument
te repareeren". De kosten worden geschat op f260,- en dit bedrag zal
bijeengebracht worden door "eene vrijwillige bijdrage te vragen aan de ingezetenen
van Dalen". Achteraf blijkt de schatting wat aan de lage kant, want op de
officiële intekenlijst wordt de twee van 't genoemde bedrag veranderd in een drie.
Dominee Hefting tekent als eerste voor f20,- en president-kerkvoogd Albert ten Hool, die
daar natuurlijk niet voor onder wil doen, ook. De gebroeders Snijders tekenen voor f 0,15
en dat is de laagste bijdrage. Maar zo komt het geld toch bij elkaar. Wat er echter aan
het orgel "gerepareerd" wordt, is niet bekend.
1920:
Het instrument ondergaat een algehele schoonmaakbeurt. De kerkvoogden zijn hier zo voldaan
over, dat ook zij hun namen en die van dominee Bakker op de balk onder het orgel laten
aanbrengen.
1946:
Vermoedelijk is er toen door de orgelbouwer Arie Bik uit Amsterdam (01) een elektrische windmotor aangebracht,
waardoor de orgeltrapper overbodig werd. Ook werd er een tremulant in het orgel geplaatst.
Van een gedeelte van het register Flageolet werden de pijpjes vervangen door andere met
een engere mensuur. Zo kwam het orgel zijn eerste honderd jaar door zonder al te veel
ingrepen.
1969-1971:
Dacht men bij de bouw nog, dat het zeker enige honderden jaren mee zou gaan zonder
noemenswaardig onderhoud, midden jaren zestig werd de conditie van het instrument zo
slecht, dat er veel kunstgrepen nodig waren om de zondagse eredienst te kunnen begeleiden.
De grote boosdoeners waren eigenlijk de twee cokeskachels, die in de kerk stonden en te
heet werden gestookt. Het gevolg was, dat de windladen steeds meer uitdroogden met als
gevolg dat ze gingen scheuren. Kortom, het orgel vervulde kerkvoogdij en organist met
grote zorg. Monumentenzorg werd ingeschakeld om te kijken hoe het orgel gerestaureerd zou
kunnen worden en wat dat zou kosten. En natuurlijk wil de men proberen subsidie te
verkrijgen. Hiervoor kwam in 1969 de Rijks-gecommiteerde Dr. L. Oussoren naar de kerk in
Dalen om zich van de situatie op de hoogte te stellen. Het inwendige van het orgel werd
onderzocht en schrijver dezes werd gevraagd te laten horen en zien, wat er voor problemen
waren. Natuurlijk werd bereidwillig gedemonstreerd in wat voor slechte staat het orgel was
en het had succes! Er werd van overheidswege een subsidie toegezegd onder de voorwaarde,
dat er een erkende adviseur werd benoemd. Dat werd Klaas Bolt. Hij was organist van het
beroemde Müller-orgel in de St. Bavo te Haarlem. Omdat Bolt veel met de orgelbouwers
Gebr. Reil uit Heerde werkte en daar goede
ervaringen mee had, werd
door deze firma de restauratie uitgevoerd. Allereerst wordt in 1970 een rapport van de
toestand van het orgel opgemaakt en daaraan gekoppeld een restauratieplan. Vastgesteld
wordt, dat het orgel aan een grondige restauratie toe is; de windladen zijn gebarsten, het
pijpwerk is te veel ingescheurd, de lijmnaden van de houten pijpen laten los en de trompet
is gedeeltelijk onbruikbaar en moet veel mooier kunnen klinken. De blaasbalgen moeten
worden nagekeken op scheuren en lekkages, de klavieren uit elkaar genomen en de speelaard,
die aan de zware kant is, dient te worden verbeterd. Omdat het orgel nagenoeg nog in
originele staat is, zullen er geen registers vervangen worden met uitzondering van de
discant van de Flageolet 1 voet. Omdat het pedaalklavier ook niet meer oorspronkelijk is,
zal er een nieuw vervaardigd worden. Men kiest voor een kopie van het pedaalklavier van
het Scheuer-orgel in de Hervormde kerk van Oldemarkt. De orgelkast moet een behandeling
tegen houtworm krijgen en verdwenen of ontbrekende onderdelen zullen worden bijgemaakt. De
kosten worden begroot op ruim f.30.000,-. De kerkvoogdij, met als president-kerkvoogd de
heer K.H.van Tarel, stelt alles in het werk om deze restauratie door te laten gaan. Buiten
de Rijkssubsidie komt het grootste gedeelte van de kosten voor rekening van de
kerkvoogdij. Voor de zoveelste keer gaat men in het dorp "met de pet rond" en
weer laten de inwoners van Dalen zich van hun beste kant zien. Het benodigde bedrag komt
bij elkaar! Zo wordt het orgel in 1971, op de kas en de frontpijpen na, overgebracht naar
de orgelwerkplaats van de Gebr.Reil in Heerde. Nadat alles volgens plan is gerestaureerd,
wordt het orgel weer opnieuw opgebouwd. Op zaterdagavond 13 november werd het weer in
gebruik genomen en kon de heer Van Tarel, na een kort verslag van de restauratie, het
orgel voor hernieuwd gebruik in de eredienst overdragen aan ds.W.de Jong, voorzitter van
de kerkeraad. De heer J.L.Reil gaf een toelichting op de restauratie. Aan deze
ingebruikneming werd ook meegewerkt door het Hervormd Kerkkoor o.l.v. Fokke Gnodde,
terwijl de gemeente-zang begeleid werd door de pas benoemde organist, de heer G.Huizing
uit Coevorden. Een nieuwe organist? Jazeker! Na zeven jaar op een steeds beroerder spelend
en klinkend orgel geploeterd te hebben, was het voor schrijver dezes niet meer mogelijk om
vast aan de Daler kerk verbonden te blijven. Een nieuwe baan in de nieuwe woonplaats
Rotterdam maakte dat vrijwel onmogelijk. Het orgel in perfecte staat en het dan niet meer
"het jouwe" te mogen noemen! Gelukkig kwam van de kerkvoogdij de uitnodiging om
bij de ingebruikname van het orgel een paar solo's te laten horen. Een blijk van
waardering voor het werk van al die jaren.
1977:
Bij de tweede fase van de kerkrestauratie in 1977 krijgt de orgelkas na eerst in wit en
later in palissander uitgevoerd te zijn geweest, z n huidige rode kleur. Ook wordt er
nieuw verguldsel op aangebracht en krijgt het houtsnijwerk aan de zijkanten en aan de
achterkant een bekleding van groene stof Monumentenzorg vindt de in gouden letters
uitgevoerde namen op de balk onder het orgel niet passend bij het geheel. Daarom worden ze
verwijderd en als compensatie wordt
een houten herinneringsbord vervaardigd. Dit wordt opgehangen onder de orgelgalerij en
vermeldt de namen van de kerkvoogden en de dominee in 1850, van de kerkvoogden en de
organist in 1857, van de kerkvoogden en de dominee in 1920 en van de kerkvoogden en de
dominee in 1977. Het orgel te zien en te horen is een lust voor oog en oor en zo bezit de
Hervormde Gemeente van Dalen weer een uniek orgel met, zoals gebleken, een uitermate
boeiende geschiedenis!
Dispositie:
| Hoofdwerk | Bovenwerk | Pedaal | ||
| Prestant | 16' disc. | Holfluit | 8' | Aangehangen |
| Bourdon | 16' | Viola da Gamba | 8' | |
| Prestant | 8' | Preastant | 4' | |
| Holpijp | 8' | Fluit | 4' | |
| Octaaf | 4' | Gemshoorn | 2' | |
| Fluit | 4' | Flageolet | 1' | |
| Quint | 3' | Clarinet | 8' | |
| Octaaf | 2' | |||
| Cornet | V disc. | |||
| Mixtuur | III-IV | |||
| Trompet | 8' |
Afsluiter
3 spaanbalgen
Gedeelde koppel
Tremulant op het gehele orgel
Windlosser

Foto: Geert Meendering (03)
Organisten:
Sinds 2006 worden de diensten begeleid door: Geert Meendering uit Borger,
Johan Westerbeek uit Stieltjeskanaal en Mw. E. Blom uit Schoonebeek
Noten:
| Schrijver | Boek of tijdschrift | Omschrijving |
| Huib D. Minderhoud | De kerk van Dalen | Hoofdstuk Daler kerkorgel door Roelof Hopster |
| Maarten Seybel | Klankschoonheid der Drentse orgels | Dalen Ned. Herv. Kerk |
De kerkvoogdij voor de rechtbank
Het is oktober 1861 en de deurwaarder van Dalen, Harm Schut, is bezig met een van de
merkwaardigste opdrachten, die hij ooit heeft uitgevoerd. Hij is onderweg met een
deurwaardersexploot naar niemand minder dan Jan Caspers, voorzitter van het College van
kerkvoogden van de Hervormde kerk. Wat is er aan de hand? Het is schilder Jan Jacobs Glas,
die het leven van de kerkvoogden er niet gemakkelijker op maakt. Er is een flinke ruzie
over de rekening voor het schilderen van het nieuwe orgel ontstaan. De kerkvoogdij had dit
schilderwerk niet aanbesteed, maar aan de orgelbouwer Van Oeckelen gevraagd, wat het
schilderen van het orgel ongeveer zou gaan kosten. Van Oeckelen schatte het verfwerk op
dertig à vijfendertig gulden en van dit bedrag uitgaande, gaf de kerkvoogdij schilder
Glas opdracht het orgel te schilderen. Toen de schilders-werkzaamheden in november 1857
gereed waren, vroeg men de rekening. Die liet even op zich wachten en kwam pas in maart
1858. In plaats van vijfendertig gulden vermeldde de rekening een bedrag van meer dan
honderdtachtig gulden! De kerkvoogdij was hevig verontwaardigd. Dat was toch niet
mogelijk! Men bestudeerde de gespecificeerde nota nauwkeurig en kwam tot de conclusie, dat
er zaken op de rekening voorkwamen, die veel te hoog gesteld waren. Dat er bijvoorbeeld
meer verfstoffen op voorkwamen, dan gebruikt hadden kunnen worden en dat er meer werkuren
(à f 0,15) waren opgegeven, dan in die tijd van het jaar gewerkt konden worden. Kortom,
de kerkvoogdij vond de rekening van schilder Glas veel te hoog en was niet van plan te
betalen. Ondanks de aanmaningen, die ze ontvingen. Na meer dan twee jaar vruchteloos
gepoogd te hebben om z'n geld te krijgen, blijft er voor Glas niets anders over dan een
advocaat in de arm te nemen en een rechtzaak tegen de kerkvoogdij aan te spannen bij het
Kantongerecht te Hoogeveen. De rechter, Jhr.mr. Van Holthe tot Echten, hoort beide
partijen en merkt al gauw, dat men niet goedschiks tot overeenstemming kan komen. De
partijen houden hardnekkig aan hun standpunt vast. Om tot een rechtvaardig vonnis te
komen, besluit hij op 15 oktober 1861 zelf naar de kerk van Dalen te gaan, om
hoogstpersoonlijk poolshoogte te nemen. Hij komt niet alleen, maar roept Jacob Seijdel,
Hermannus Stoter en Jacob Scholten op als getuige-deskundigen. Ze zijn alle drie
huisschilder te Hoogeveen. Dit gezelschap betreedt op zaterdagmorgen 2 november om tien
uur de kerk. De schilders beoordelen de werkzaamheden van hun collega Glas en delen hun
bevindingen mee aan de Edelachtbare. Er wordt een proces-verbaal van opgemaakt. Op 19
november 1861 wijst de kantonrechter "In naam des Konings" vonnis. Hij is tot de
conclusie gekomen, dat de overeenkomst tussen de kerkvoogdij en schilder Glas erg
onduidelijk is. Glas heeft ondermeer de banken op de orgelgalerij geverfd en de muur
achter het orgel gewit. Ook heeft hij de ramen van de kerk schoongemaakt. De kerkvoogdij
ontkent echter hiervoor opdracht te hebben gegeven en Glas kan niet aantonen, dat dit wel
het geval is. De rechter bepaalt, dat er dan ook geen geld voor toegewezen kan worden en
beslist, dat de kerkvoogdij aan Glas het bedrag van f61,- plus de daarover verschuldigde
rente moet betalen. Een heel verschil met de f 184,- die in rekening gebracht was. Elk van
de partijen wordt veroordeeld tot het betalen van de helft van de kosten van de rechtzaak,
zijnde f49,-.