Coevorden, St. Willibrordus
Orgelgeschiedenis volgens de gegevens van Victor Timmer
Na de Reformatie bleef in en om Coevorden toch een aantal mensen wonen dat zich niet bekeerde tot de nieuwe 'gereformeerde' religie; in later tijd nam het aantal rooms-katholieken toe, met name door de functie van de stad als garnizoensplaats. Door de beperkingen in het uitoefenen van hun godsdienstige plichten gingen ze aanvankelijk veelvuldig ter kerke in Laar, vlak over de grens. Deze (ongewenste) situatie leidde er uiteindelijk toe dat op 13 juni 1790 in Coevorden een als woonhuis vermomd kerkje in gebruik kon worden genomen, met als naam Onze Lieve Vrouwekerk. Het gebouwtje werd al spoedig te klein en werd daarom in 1818 grondig vernieuwd en vergroot; het werd ook voorzien van een torentje en gewijd aan St. Willibrordus (01). En orgel was er nog niet direct, zoals een jaar later bleek uit een brief aan de aartspriester in (02): "Seer gaarne hadden wij ook versogt om een orgel in de kerk, maar daar de Som van de nieuwe kerkgebouw buyten verwagting hooger is geloopen ( ) niet om durven vragen" [aan Koning Willem I en aan de Gouverneur te Assen]. Toch moet er al spoedig een orgel zijn geplaatst, want in mei 1823 is sprake van conflict tussen pastoor en "den geweesen organist of kuster" (03). Over dit instrument is niet meer bekend dan dat het een "eenvoudig orgel" betrof (04).
Ruim 20 jaar later was men toe aan een nieuw instrument. Na een daartoe gehouden collectte onder de 'parochianen' welke f. 545,- opbracht (05), werd van H.D. Lindsen. die een jaar tevoren ook al een nieuwe tabernakel en zes houten kandelaars had geleverd, voor f. 2000,- een nieuw orgel gekocht (06); om het ter plaatse te krijgen moest men f. 16,60 aan transportkosten betalen (07). Het instrument werd in 1850 gestemd voor f. 30,- (08). Het had volgens Broekhuyzen de volgende samenstelling (09):
"Het orgel in de kerk der r.catholieke gemeente aldaar is gemaakt en in 1848 voltooid door H.D. Lindsen, orgelmaker te Utrecht. Heeft 9 stemmen, een handclavier, aangehangen pedaal twee blaasbalgen, lang 8 vt breed 4 vt.
Prestant Eng. Tin 8 vt
Octaaf 4 vt
Octaaf 2 vt
Holpijp 8 vt
Roerfluit 4 vt
Mixtuur B. 4 st
Bourdon D. 16 vt
Quint 3 vt
Mixtuur D. 5 st.
Tremulant, ventil"
In de kerkinventaris
(10) werd het omschreven als: "Een Orgel achtvoetswerk, met aanhangend pedaal en een klavier".Het oude orgel was in 1848 voor f. 100,- verkocht aan de welbekende parochie in Laar. In de uit 1803 stammende huiskerk aldaar heeft het nog een aantal jaren dienst gedaan; nadere gegevens ontbreken, maar mogelijk wijst de aanschaf van een harmonium in de jaren '80 van de 19(de) eeuw er op dat het toen niet meer bruikbaar was. Toch moet het orgel - of onderdelen daarvan, zoals pijpwerk - nog tot na de eeuwwisseling aanwezig zijn geweest, want in 1913 richt de pastoor, bij het verlenen van de opdracht voor een 'tot op dat moment ontbrekend orgel' (!), het verzoek aan orgelmaker Haupt, "ob er die Pfeifen der alte Orgel zurücknehmen wolle" (11).
Over de verdere lotgevallen van het Lindsen-orgel in Coevorden is niets bekend, behoudens het feit dat er in 1859 gesproken is over het "veranderen van het zangerskoor, het verplaatsen der kolommen onder het orgel" (12), ongetwijfeld met het oog op het vergroten van de orgeltribune teneinde meer plaats te bieden aan het koor. Het jaar daarvoor was de kerk al vergroot en verfraaid. Nadat in de loop van 1894 steeds meer klachten werden gehoord over het orgel, werd besloten tot nieuwbouw (13): het werk werd opgedragen aan orgelmaker J. Winkels te Boxmeer voor f. 2600,-, waarbij diens plaatsgenoot J. Rasker voor f. 410,- een orgelkas zou leveren (dat werd f. 450,-). De bouw van het (tweeklaviers) instrument, door Winkels kostte uiteindelijk f. 425,- meer door de toevoeging van een extra register (14). Het orgel werd in 1914 voor f. 479,- door dezelfde firma overgebracht naar de nieuwe (huidige) kerk, werd later grondig verbouwd, maar is nog steeds in de kerk aanwezig (15).
Noten:
Het parochie-archief is gedeponeerd bij het Rijksarchief in Drenthe.