Onderstaande tekst is afkomstig uit "Twintig verhalen over het orgel en nog wat deel 1" Deze uitgave ontstond n.a.v. het 25-jarig bestaan van de Stichting tot behoud van het Nederlandse Orgel in 1998. Het betreft een artikel van W.D. van der Kleij "Het orgellandschap in Drenthe door de eeuwen heen". (blz. 199-218)
Voorwoord
De Stichting tot behoud van het Nederlandse Orgel verzoekt voor haar Feestbundel een bijdrage te zien over het Drentse orgellandschap. Dat is geen geringe opgave. Een gelukkige omstandigheid is echter dat ondergetekende en mijn vriend en collega wijlen de heer Willem Hendrik Zwart al sinds 1960 met een studie over de Drentse orgels bezig zijn geweest. Zwart was in die tijd leraar aan de Pedagogische Academie te Emmen waar ik ook werkzaam was en zo kwam ik met hem in kennis. Dit leidde ertoe dat ik, hoewel mijn opleiding niet speciaal op muziek gericht was, belangstelling kreeg voor orgels en alles wat daarmee annex is. Was het onderzoek eerst gericht op een eenvoudig overzicht van de bestaande orgels in Drenthe, meer en meer werd het een grondige zoektocht naar gegevens uit verleden en heden over orgels, organisten en orgelmakers binnen Drenthe. Hiertoe werden kerken bezocht, archieven nageplozen, literatuur gebruikt en personen geraadpleegd. Helaas is aan het samenwerkingsverband in 1997 een einde gekomen door het overlijden van Willem Hendrik Zwart. Het grootste deel van dit onderzoek werd nog door ons afgerond en hieruit heb ik, hoewel met weemoed in het hart, het hieronder volgende overzicht samengesteld. Het geldt ook als een hommage aan mijn medewerker, die hiermede postuum moge worden geëerd.Inleiding
Kerken
Hoewel al vanaf ca. 800 in Drenthe primitieve kapellen en kerken werden gebouwd
is hiervan op enkele funderingsresten na niets meer terug te vinden. Na het jaar 1000 werd
de bouw van kerken van groter belang en kan men ook hier een duidelijke aansluiting aan de
heersende bouwstijlen waarnemen. Zo kunnen we een drietal typen kerken onderscheiden:
Romaans (Anloo), Romano-Gotisch (Norg, Roden) en Gotisch (Rolde, Sleen)
In de tijd der bisschoppelijke regering
ontstonden in Drenthe 35 parochiekerken met 49 vicaris (2). Ook werden
in dit gewest enkele kloosters gesticht (3). De hervorming ging aan
Drenthe niet voorbij. De protestantisering van dit gewest werd door de Friese stadhouder
Willem Lodewijk krachtig ter hand genomen. De stadhouderlijke periode duurde in Drenthe
tot de dood van Willem Lodewijk in 1620. Hierna treedt de Landschapsregering met aan het
hoofd de Drost zelfstandig op tot de Franse tijd. Pas na 1800 is Drenthe ook een provincie
met een gouverneur. Na enkele generaties was het katholieke leven in Drenthe uitgestorven
niet omdat men zo ketters was maar bij gebrek aan katholieke missie. Alleen een aantal
bewoners der Havezaten, de Drentse ridderschap, bleven nog tot ver in de 17e eeuw
katholiek. Zij konden dit zijn door de eredienst in huiskapellen in stand te houden (4). Bij uitzondering kwam er in Coevorden een schuilkerk, maar dat kwam door
het garnizoen dat daar gelegen was waar veel huursoldaten die katholiek waren in het
naburige Laar (Duitsland) de kerk van hun eigen geloof zouden kunnen gaan bezoeken (5). Pas in de 19e eeuw keerde de Katholieke kerk in Drenthe terug. Door
emigratie kwamen Duitsers waaronder veel katholieken op de hoogvenen in Drenthe en later
bij de ontginning ervan werken en wonen. Organisatorisch kwam Drenthe onder het
aartsbisdom te Utrecht (6).
Sinds de middeleeuwen kende men in
Drenthe een indeling in dingspelen of rechtsgebieden, hiermee samen hing een indeling in
kerspelen, dat wil zeggen een dorp met daarmee samengevoegd een aantal gehuchten. Zo'n
eenheid vormde kerkelijk gezien een parochie met in het hoofddorp de kerk. Tot in de 19e
eeuw waren er nooit meer dan een 40-tal kerkdorpen. In vergelijking met Friesland met 300
kerkdorpen is dit aantal gering. De oorzaak hiervan ligt in de geografische gesteldheid
van het Drentse landschap. De verbindingen tussen de dorpen, gesticht aan de oude
zandwegen en gehuchten was goed, zodat niet in ieder plaatsje een kerk of kapel gebouwd
behoefde te worden. Na de Reformatie kwam er een nieuwe kerkelijke indeling. Er werden
drie classis gevormd, nl. de classis Rolde, Meppel en Emmen, daartoe behoorden een
veertigtal kerkelijke gemeenten die deel uitmaakten van de Gereformeerde kerk, die na de
Franse tijd Hervormde kerk werd genoemd. Pas in de 19e eeuw komen er ook andere kerkelijke
gezindten voor (7).
Orgels, organisten en orgelmakers
De 16e eeuw
In Drenthe is geen sprake van een betekenisvol orgelbezit, zoals dat in andere provincies, bv. Friesland en Groningen, het geval is. Nu moet ons dat niet verwonderen, want Drenthe is nooit een 'orgelland' geweest en is dit nu nog niet. Deze eenvoudige landstreek, vroeger gekenmerkt door veel bossen en heidevelden met aan de randen hoogvenen, had vanouds een agrarische cultuur, zonder grote steden en was alleen van belang in militair en strategisch opzicht. Een landstreek waar zo weinig 'muziek' in zit, hoe zou men daar duidelijke blijken van toonkunst kunnen verwachten?
Na drie eeuwen orgelcultuur in de Nederlanden zijn er in 1792 in Drenthe slechts
zeven plaatsen met een orgel nl. Anloo, Coevorden,
Dwingeloo, Eelde, Meppel, Roden en Zuidlaren. De stiefmoederlijke behandeling van Drenthe en
Noord-Brabant binnen het staatkundig verband der Republiek vond zijn weerslag in het
orgelbezit. Hieruit blijkt tevens dat het stichten, maken, plaatsen en bespelen van orgels
niet alleen een kerkelijke maar ook een maatschappelijke en culturele achtergrond heeft.
Wanneer we nu nog eens terug gaan naar de tijd der bisschoppelijke regering van Drenthe,
die toen vanuit Utrecht plaats vond, dan blijkt dat in de 16e eeuw toch nog sprake is van
orgels en organisten. Bij gebrek aan steden moeten we onze verwachting echter niet te hoog
spannen. Het ging uiteraard om kleine wellicht verplaatsbare orgels of positieven. Van
deze instrumenten is nu niets meer te vinden dan wat in de archieven staat opgetekend. Zo
wordt er in 1510 te Coevorden in de kerk een altaar gesticht ter ere van het Heilig
Sacrament en de Heilige moeder St. Anna, waarbij de priester die het altaar bediende ook
op het 'Orgaen' moest kunnen spelen (9). Te Meppel laten in 1516 de
Gildemeisters een organist dienst doen bij een nieuw altaar in de kerk. Een archiefstuk
van het Mariaklooster te Assen vermeldt in 1558 dat de organist Claes Wetsinghe moest
beloven "weder vredeliek toe wesen myt de broeders" (1). In
1563 is er sprake van een organist Harmanno in de kerk te Eelde (12). In
Ruinen overleed op hoge leeftijd 23 juli 1570 Heer Eyso
organist, waaruit valt te concluderen dat er al ver voor die datum een orgel in het
klooster te Dikninge aanwezig was. Een jaar later is er te Ruinen sprake van de organist
Gerhardum Harmanni, alias Loppersum, die we ervan verdenken ook al te Groningen organist
te zijn geweest maar verbannen werd in de reformatorische tijd (13).
Kwantitatief valt dit orgelbezit in de 16e eeuw voor Drenthe dus nog mee.
De 17e eeuw
In de 17e eeuw is er nog steeds geen sprake van een
kenmerkend orgelbezit. In 1649 werd te Eelde een organist benoemd zodat er een orgel
aanwezig geweest moet zijn. Mogelijk een schenking van Sjouck Gerold van Burmania die in
1649 door erfenis eigenaar werd van de havezate Oosterbroek te Eelde. Zo'n riddermatige
bewoner van een havezate bezat het collatierecht waardoor hij de predikant, de koster, de
organist en de schoolmeester kon benoemen. Sinds 1649 tot heden is er onafgebroken sprake
van een organist te Eelde. Bij die gelegenheid werd ook voor het eerst het besluit van de
Landschapsregering van kracht, dat bij de aanschaf van een orgel in de kerk voor het
salaris van een organist zestig Caroli gulden uit de Landschapskas betaald zou worden. De
gelden hiervoor kwamen uit het geconfisceerde kloosterbezit en werd 'ad pios usus', d.w.z.
voor vroom gebruik besteed. Dit unieke besluit bleef tot de Franse revolutie van kracht.
In 1669 werkte ene Mr. Andreas aan het orgel te Eelde. Zou het de bekende Groningse
orgelmaker Andreas de Mare kunnen zijn? (14 )

In 1658 kwam het orgel gereed dat Theodorus Faber, een Groningse orgelmaker, maakte voor
de nieuw gebouwde kerk te Coevorden. Het orgel had een springlade en zoals toen
gebruikelijk deuren om het front af te sluiten. Dit orgel werd bekostigd uit een loterij
gehouden onder de gemeenteleden. Onder de organisten komen in de 17e en 18e eeuw leden
voor van het geslacht a Welt waarvan er ook te Groningen organist waren. Op het orgel
stond het merkwaardige opschrift: 'Ao 1658 gemaeckt door T. Faber. SSTCand." (5).
In Meppel werd in 1664 de organist Willem Leemkuyl genoemd,
zodat ook daar toen een orgel aanwezig was. Vermoedelijk is dit orgel in de woelingen van
1672 verloren gegaan. Dat er toen ook te Emmen een orgel verdween is niet bewezen. In
plaatsen waar geen havezate was besliste de 'gezworen gemeente' met aan het hoofd de
schout over de benoeming van de kerkelijke ambten. Begin 1700 was er echter geen orgel
meer in de kerk te Meppel' (6). In Dwingeloo schonk de Drost Rutger van
den Boetzelaer in 1665 de kerk een orgel. Het was een klein orgel met deuren waarop de
wapens en de portretten van de schenker en zijn vrouw te zien waren (17).
Op dit orgel was te lezen:
Dit monument ende gedagtenisse heeft ter eere Gode
en ter eeuwige memorie doen en laeten stichten de
Hoogh Wel. Geb. heer Rutger van den Boetzelaer
Heer van Bathinge ende Entinghe Drossard van
Covorden ende der Landschap Drenthe'.
De 18e eeuw
Pas in de 18e eeuw krijgt Drenthe er enkele orgels bij die van grote waarde zijn
en ook nu nog, zowel wat het uiterlijk als wat de klank betreft, tot de monumentale orgels
van Drenthe behoren. In de kop van Drenthe werd kort na elkaar aan drie orgels gewerkt
door de Arp Schnitger-leerlingen Johannes Radeker en Rudolf
Garrels. Zo kwam er te Eelde een nieuw orgel met wapens en het
jaartal 1713 erop, terwijl het oude in 1716 voor 100 Caroli gulden naar Zuidlaren werd
verplaatst. In Anloo werd in 1718 een nieuw orgel ingewijd. Dit
orgel dat nog alle kenmerken van een ontwerp naar de orgels van Arp Schnitger vertoonde was een
geschenk van de rijke weduwe Anna Geertruyd Ellents, geboren Sichterman en haar zonen
Wolter Hendrik, Gerard Coenraad, Hendrik Jan en Coenraad, die allen nog op wapenschilden
op het orgel vertegenwoordigd zijn. Van de drie genoemde orgels is alleen het orgel te
Anloo is nog aanwezig' (9).
In Meppel
begon men omstreeks 1700 weer behoefte te krijgen aan een orgel. Schout, schepenen en
eigenerfden kwamen in actie. Er werden in 1712 hiertoe offertes gevraagd aan diverse
orgelmakers, waaronder Arp Schnitger en Jan Harmens Kamp te Berlicum (Friesland).
Uiteindelijk werd er een orgel gebouwd door Jan Harmens, dat echter pas na zijn dood door
F.C. Schnitger sr. in 1722 werd voltooid. Op dit orgel komen enkele bekende organisten
voor. Zo zijn er vanaf 1712 leden van de familie Muyselaer, ook in Friesland voorkomend,
die als onderwijzers en organisten genoemd worden tot ca. 1800. In de 19e eeuw is bekend
J.H. Bekker, uit een vermaard muzikantengeslacht, die in 1867 dirigent werd van de
Groningse orkestvereniging.
In 1776 werd bij testament door Maria
Catharina Hoppinek het vorstelijk bedrag van 10.000 Caroli gulden geschonken voor de bouw
van een orgel en het onderhoud ervan en voor de betaling van een organist te Roden. Voor de afrekening van dit orgel en de betalingen aan
diverse leveranciers en de lopende betalingen voor het onderhoud en het salaris van de
organist werd een in leer gebonden boek gemaakt dat tot het jaar 1838 werd bijgehouden.
Het orgel gemaakt door de Groningse orgelmaker Albertus Anthony Hinsz werd in 1780 in
gebruik genomen. Ook dit orgel behoort nog steeds tot de Drentse pronkjuwelen. Als
organist werd, op voorspraak van J.W. Lustig organist van de Martinikerk te Groningen,
benoemd Hendrick Baltsazar Stoll een goed musicus. Hij was tevens kleermaker en werkzaam
'by de voornaemste drentsche Dames". Voor nieuwbouw komt Hinsz in Drenthe verder niet
voor wel had hij van een aantal orgels het onderhoud tot 1785. Hierna komen we dan
hiervoor dikwijls F.C. Schnitger en H.H. Freytag in Compagnie tegen. Van orgelmakers op
Drentse bodem is eigenlijk geen sprake. Wel woonde A. van Gruisen in de jaren 1778-1780 te
Meppel, maar daar had hij vermoedelijk nog geen orgelmakerij. Resumerend waren er dus aan
het eind van de 18e eeuw in totaal 7 orgels, nl. Anloo (1718), Coevorden (1680), Dwingeloo (1665), Eelde (1713), Meppel (1722), Roden (1780) en Zuidlaren (1716).
Hiervan zijn die te Anloo, Meppel en Roden nog aanwezig. Dat is op een aantal van 40
dorpskerken niet veel. Het moge intussen duidelijk zijn dat men voor het maken van orgels
in Drenthe aangewezen was op Groningse en Friese orgelmakers en dat is zo gebleven tot ver
in de 20ste eeuw.
De 19e eeuw
![]() |
In de 19e eeuw veranderde de kerkelijke kaart. Waren in de voorgaande eeuwen er alleen maar Gereformeerde kerken, die na de Franse tijd Hervormde kerken werden genoemd, in de 19e eeuw zien we afgescheiden Gereformeerde Kerken ontstaan, terwijl de Katholieke kerk door het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie ook weer eigen kerken kon stichten. Het orgelbezit nam door nieuwbouw en door verplaatsing van orgels van elders belangrijk toe. Maar dit niet alleen, het aantal orgels van historische waarde groeide in deze eeuw aanzienlijk. In de 19e eeuw zien we ook een paar orgelmakers op Drentse bodem verschijnen. Zo kwam in 1801 Johann Christoff Scheuer te Coevorden wonen en trouwde met de dochter van een meubelmaker. Hij was afkomstig uit het naburige Emlicheim in het graafschap Bentheim. Van 1812 tot zijn vertrek naar Zwolle in 1823 was hij organist te Coevorden. Hij was tevens orgelmaker en maakte in Drenthe orgels te Hoogeveen (1843) en te Dalen (1850). Hij restaureerde het orgel te Meppel in 1811 en 1825. In 1816 en 1820 repareerde hij het orgel te Anloo. In Assen vestigde zich Nicolaas Anthonie Gerhardus Lohman, die een telg was uit de bekende Groningse orgelmakersfamilie Lohman. Van zijn werkzaamheden is weinig bekend. Te Anloo had hij het onderhoud en stemwerk van 1856 tot 1867. Het orgel te Veenhuizen in de Hervormde kerk repareerde hij in 1863. In 1866 maakte hij een kabinetorgel voor de Rijksnormaalschool te Assen. Maar het meest zal hij toch onderhoud en stemwerk hebben gedaan. Zijn meesterknecht was Jan Schaaffelt. Later verplaatste hij zijn bedrijf naar Zutphen waar hij in 1871 overleed. |
In de 19e eeuw was voor Drenthe de Groningse orgelmaker Petrus
van Oeckelen (1792-1878) en zijn zonen Cornelis (1829-1905) en Anthonius (1839-1918)
wel de belangrijkste orgelmaker. Hu was een uit Breda afkomstige zoon van de orgelmaker
Cornelis van Oeckelen en solliciteerde naar de betrekking van klokkenist te Groningen. In
1819 wordt hij genoemd met betrekking tot het orgel in de Hervormde
kerk te Assen. Hierbij moeten we wel bedenken dat het hier niet ging om zijn opus 1
maar meer om een orgel dat onder zijn toezicht werd geplaatst. Waarschijnlijk een
instrument van oudere datum dat aangepast werd voor de kerk te Assen. De orgelmaker die
dit werk deed was de eveneens in die tijd voorkomende orgelmaker J. W. Timpe voor wie de
Groningse klokkenist, dirigent, musicus, leraar en orgeldeskundige Petrus van Oeckelen
adviseur was. De Hervormde predikant G. Bentheim Reddingius speelde een bemiddelende om
niet te zeggen intrigerende rol bij de totstandkoming van dit orgel. Dat de katholiek
Timpe het orgel maakte was immers niet aan de Hervormde gemeente te Assen te verkopen!
Daarom werd in het blad Amphion de loftrompet gestoken over P. van Oeckelen, die hoewel
ook katholiek, niet bekend was als orgelmaker in deze streken. Het gevolg was dat latere
scribenten op het verkeerde been werden gezet en het orgel aan Van Oeckelen toeschreven
als zijn opus 1. Na de dood van Timpe in 1837 nam Van Oeckelen diens bedrijf over en toen
pas werd hij als orgelmaker bekend, hoewel hij nog grote moeite had om zijn naam gevestigd
te krijgen. Zijn eerste orgel in Drenthe was dat in de Ned. Herv.
kerk te Smilde gemaakt in 1841. Met het aanwezige materiaal van Timpe kon hij
uiteraard geen nieuw orgel maken en evenmin had hij het geld om de dure materialen
benodigd voor het maken van een nieuw orgel te kopen. Hij moest daarom geld lenen en als
geldschieter trad op Anthonie Janson, fabrikant te Groningen, wonende op het buiten
Friedenhain bij De Punt, gemeente Haren. Door deze kennismaking is het wellicht te
verklaren waarom hij de orgelmakerij later te Haren vestigde. Het orgel te Smilde werd
voor een gedeelte betaald uit de schenking van 1000 gulden door Katharina Hendrika
Buschman en verder uit gelden van de gemeente. Van Oeckelen maakte nog nieuwe orgels zoals
het orgel te Odoorn (1861), helaas in 1897 bij de kerkbrand
verloren gegaan en in 1899 vervangen door een orgel van Gebr. van Oeckelen. Ook dat te Ruinerwold (1872) was van zijn hand. Verder werden door hem twee
orgels vergroot die door J.C. Scheuer in eerste aanleg werden gebouwd. En wel te Dalen in 1857 met een Bovenwerk en te Hoogeveen
in 1859 met een Vrij Pedaal.
Dat Drenthe een armelijke provincie was
blijkt ook wel het grote aantal occasions die in diverse kerken geplaatst werden en
afkomstig waren uit kerken die hun orgel hadden afgedankt. Nadat een geldbedrag,
geschonken door de voorheen te Rolde fungerende predikant C.
Brouwer, was binnengekomen, werd in 1847 een orgel dat volgens een krantenbericht uit
Harlingen afkomstig was door Van Oeckelen in deze kerk geplaatst. Het volgende opschrift
was op het orgel te lezen:
"De Herv. Gemeente van Rolde ontving dit orgel van een harer voormalige
leeraars Den Wel. Eerw Z: Gel. Heer C. Brouwer. Thans rustend leeraar te Assen. Als blijk
van blijvende liefde en voortdurende belangstelling in hare godsdienstige belangen,
terwijl het, door vrijwillige bijdragen der Gemeente, vergroot en verfraaid, op den 28
Nov. 1847 plechtig werd ingewijd" (25).
In 1856 werd het orgel, dat in 1821 gemaakt was door de
Friese orgelmaker J. A. Hillebrand te Leeuwarden voor de Hervormde gemeente van Akkrum,
door Van Oeckelen overgebracht naar de Hervormde Koepelkerk te Veenhuizen.
In 1859 werd het orgel in de Hervormde kerk te Zuidlaren, dat
nog uit 1718 dateerde, oud en gebrekkig genoemd. Van Oeckelen werd er bij gehaald en hij
plaatste toen het afgedankte orgel uit de Hervormde kerk te Beusichem, dat door Abraham
Meere orgelmaker te Utrecht in 1787 was gemaakt, in deze kerk en nam het oude orgel in.
Soms kwam er ook een bijzonder orgel in Drenthe terecht. Zo bracht Van Oeckelen in 1861
het orgel uit de Pepergasthuiskerk te Groningen over naar de Hervormde kerk te Peize. Het betrof hier een oud orgel dat zijn basis kreeg in 1631
toen Anthony Verbeeck het orgel nieuw bouwde. In de volgende eeuwen werd het orgel
uitgebreid zodat het in 1788 opgetekend staat als een orgel met een Hoofdwerk, een Rugwerk
en vrij pedaal. Als bijzonderheid mag worden vermeld dat men te Peize de kosten
gedeeltelijk betaalde uit de opbrengst van 63 gevelde eikenbomen die rondom de kerk
stonden! Het Drentse orgelbezit werd met dit orgel zeer verrijkt, daar het orgel zeldzaam
pijpwerk bevat van oude datum. Aan het orgel werkten in het verleden, A. Verbeeck, Arp
Schnitger, A.A. Hinsz, H.H. Freytag, J.W. Timpe en N.A. Lohman. In de jaren zestig van
deze eeuw was het orgel sterk verwaarloosd. Na een restauratie door de firma Van Vulpen in
1969-1973 behoort het nu tot een der belangrijkste historische orgels van Drenthe.
In Beilen was in 1840 een orgel terecht
gekomen dat nog afkomstig was uit de Broederkerk te Groningen. Het opschrift luidde:
"Dit orgel is door den Heer B. Kerckhoff van
Groningen in October 1840 uit de Broederkerk aldaar afgebroken en hier geplaatst"
(26) In 1862 werd het orgel door
Van Oeckelen geheel gerenoveerd en uitgebreid. Het front heeft een voorkomen dat niet
correspondeert met de erachter liggende pijpenopstelling op de laden. Ook leverde de firma
Van Oeckelen in 1862 een orgel aan de Hervormde gemeente te Westerbork.
Dit orgel was afkomstig uit de kerk van de Hervormde gemeente te Beetgum waar het in 1726
werd gemaakt. Achteraf bleek dit een goede koop te zijn geweest daar het orgel nog een
werkstuk was van Christiaan Müller, de maker van het orgel in de Grote kerk te
Leeuwarden. Na restauratie in 1988 behoort het nu tot één van de mooiste orgels in
Drenthe (27).
Alle belangrijke orgelmakers die in Groningen en Friesland in de eerste helft van
de 19e eeuw voorkwamen vinden we ook in Drenthe terug. J.W. Timpe maakte voor de R.K. kerk
te Veenhuizen in 1835 een orgel. De firma N.A. Lohman en
Zonen komt bij restauraties voor. H E. Freytag werkte aan het orgel te Eelde en Roden en
bouwde een orgel te Borger. In de tweede helft van de 19e eeuw
als genoemde firma's zijn opgehouden te bestaan komen nieuwe namen te voorschijn, die weer
uit Groningen of Friesland en ook uit Overijssel komen. Zo maakte Roelf Meijer (1827-1884) in 1873 een orgel te Emmen. Voor zijn weduwe zette Henricus van Oeckelen, die we niet
in de firma Gebr. Van Oeckelen zien opgenomen, nog enige tijd het werk voort. L. van Dam
en Zn., orgelmakers te Leeuwarden, maakten in 1894 een orgel te Gieten
en verplaatsten het oude orgel van 1819 te Assen naar Havelte, waar het nu nog functioneert en bouwden te Assen in 1897
een nieuw orgel. In beide gevallen was het vooral Pieter van Dam die bij de levering naar
voren trad.
Uit Kampen in Overijssel kwam de
orgelmaker en organist Jan Proper enkele orgels leveren,
verplaatsen of ombouwen. Proper stond bekend als leverancier van tweedehandse orgels. Hij
was in de leer geweest bij Zwier van Dijk, die oa. werkzaam was aan het orgel in Meppel in
1882. Zwier van Dijk was organist en orgelmaker te Kampen en onder diens hoede verplaatste
Jan Proper enkele orgels. Zo kwam in de Gereformeerde kerk te Ruinerwold-Koekange
(Berghuizen) in 1884 een orgel te staan dat afkomstig was uit de Hervormde kerk te
Raamsdonk. Dit orgel was in 1743 gebouwd door Matthias Amoor een Groningse orgelmaker
ingeschreven in het Kramergilde aldaar. Dit orgel werd in 1850 verplaatst naar Aartswoud.
Vandaar kwam het orgel in 1884 naar Ruinerwold-Koekange. Het is nu een der mooiste
historische orgels in de Gereformeerde kerken in Drenthe. Te Nijeveen
plaatste Proper in 1892 het orgel dat voordien stond in de Christelijk
Gereformeerde kerk te Meppel. In Coevorden werd een nieuw
orgel geplaatst nadat in het collectezakje een gift van F 2500,- werd gevonden bestemd
"voor een nieuw orgel". Op het orgel was te lezen:
'Met dankbare erkentelijkheid voor de
milde gave van mejuffrouw A. G. Kramer te Coevorden".
Het nieuwe orgel werd ingewijd op Zondag
25 Augustus 1897. Het oude Faber-orgel werd door Proper geplaatst in de Remonstrantse kerk te Hoogeveen. In hetzelfde jaar plaatste
Proper het orgel uit de Doopsgezinde kerk te Kampen, eveneens een oud orgel, in de Hervormde kerk te Bovensmilde (29).
Een bijzonder geval is nog het orgel dat
in 1863 geplaatst werd in de Hervormde kerk te Hollandscheveld.
Door de heer A. Bloemen, orgelmaker in Steenwijk genoemd, werd een oud orgel, een 8-voets
werk met 12 doorlopende stemmen, afkomstig uit een Hervormde kerk te Steenwijk, verplaatst
naar Hollandscheveld. Het orgel werd in gebruik genomen met een orgelconcert door J. P.
Groot, organist van de Hervormde Grote kerk te Steenwijk.
In de R.K. kerk te
Erica kwam in 1893 een nieuw orgel dat gemaakt was door de Utrechtse orgelmaker M.
Maarschalkerweerd. Ook in de R.K. kerken te Assen en Coevorden kwamen orgels, terwijl in 1835 al een orgel kwam in de
R.K. kerk te Veenhuizen zoals al hiervoor werd vermeld.
In Drenthe werden kleine orgels geplaatst
meest met één klavier en aangehangen pedaal. Geschikt om te gebruiken als
begeleidingsinstrument tijdens de gemeentezang. Orgels met twee klavieren en vrij pedaal
waren in de minderheid en alleen te Meppel en Roden had men een orgel met een rugpositief. Van concertant
orgelspel is, behalve bij de ingebruikname van een orgel, bijna geen sprake. Organisten
van naam zal men dan ook in deze eeuw in Drenthe niet vinden. In het muziektijdschrift
Caecilia wordt nog genoemd J.F.N Obbes de organist van de Hervormde
kerk te Assen. In 1855 en 1861 beoordeelde men twee composities voor piano van hem. In
"Het Orgel" wordt hij genoemd met een Praeludium en Fuga voor orgel. Hij was
muziekleraar aan de Rijksnormaalschool te Assen en directeur van de liedertafel Orpheus te
Assen.
Ten aanzien van de kerkzang in deze en
voorgaande tijden valt niet veel lof te oogsten. Het is over het algemeen maar treurig
gesteld met het zingen der Psalmen en sinds 1807 ook met de Evangelische Gezangen. Dit
heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is het zangonderwijs voor de jeugd volstrekt
onvoldoende. Vervolgens werd het zingen in de kerk geleid door de voorzanger die echter
ook dikwijls de wijs niet kon houden. Ook het ontbreken in veel kerken van een orgel om de
kerkzang een goede leiding te geven is mede oorzaak van de slechte zingtrant. In het
midden van de 19e eeuw waren er in 51 Drentse kerken nog maar 15 kerken met een orgel.
Dat geldt dan voor de Hervormde kerken.
In de Gereformeerde kerken was het niet veel beter, vooral omdat hier het geld ontbrak om
in de dikwijls provisorisch opgezette kerkjes een orgel aan te schaffen. De opkomst in
deze tijd van de Serafine of Harmonium
gaf wel enige verbetering. Deze kwetsbare instrumenten zouden op den duur door pijporgels
kunnen worden vervangen. Dat men zich dan opofferingen moest getroosten was zelfs tot ver
in de 20ste eeuw een probleem. Verder was er een zeker protestants cynisme dat zich uitte
in een te grote soberheid voor de inrichting van het kerkgebouw. Zelfs in een kerk met
vermogende mensen lagen de bijbels er soms verfomfaaid bij. Dit werd dan na een opmerking
hierover gebagatelliseerd met de uitspraak "De bijbel heeft dien wereldschen vorm van
sierlijke banden niet noodig; zelf zegt de apostel: Gods woord is niet gebonden". Of
men zegt in verband met de aanschaf van een orgel: "God hoort onze lofzangen toch
wel, al zijn ze niet vierstemmig". Het resultaat werd dat het kerkgezang ging
ontaarden in alleronstichtelijkst geschreeuw. (3)
Op het laatst van de 19e eeuw waren er in
Drenthe in totaal ca. 30 orgels in Hervormde-, Gereformeerde- en Rooms Katholieke kerken.
De 20e eeuw
In deze eeuw kunnen we twee perioden onderscheiden wat betreft het orgelbezit. Ten eerste de tijd tot ca. 1950, die gekenmerkt wordt door het plaatsen van orgels van allerlei snit, in nieuw gebouwde kerkjes en kapellen, in plaatsen op de inmiddels ontgonnen hoogvenen aan de west-, zuid- en oostranden van de provincie. In de vorige eeuw en ook al eerder werden in het westen hoogvenen ontgonnen en kanalen gegraven om het veen af te voeren. Aan deze kanalen ontstonden dorpen waarvan de inwoners meestal van buiten de provincie kwamen. In de twintigste eeuw werd ook het mondengebied aan de grens met Groningen en het zuidoostelijk veengebied ontgonnen. Hier kwamen eveneens vele nieuwe nederzettingen waarvan de bewoners gedeeltelijk uit de aangrenzende gebieden kwamen zoals Hannoveranen uit Duitsland en mensen uit Overijssel. Dit leidde ertoe dat ook de kerkelijke kaart van Drenthe veranderde. In deze en volgende jaren komen er Lutheranen, Baptisten en Doopsgezinden en steeds meer Katholieken in Drenthe wonen. Ook door afscheidingen ontstonden nieuwe kerkelijke gezindten zoals Gereformeerde Gemeenten en Vrijgemaakt Gereformeerden. De in die tijd gemaakte orgels waren van zeer verschillende kwaliteit. Wanneer ze van mindere kwaliteit waren hing dat meestal samen met de armoedige omstandigheden waarin de meest kleine gemeenten verkeerden. Ook WO I en WO II waren tijden waarin stemmen en onderhoud niet optimaal konden plaats vinden. Ook onstond er toen gebrek aan goede materialen, zodat nieuwbouw niet kon plaats vinden. In de tweede periode vanaf ca. 1950 tot het einde van de 20ste eeuw kwam er een kentering ten goede. Dit was vooral te danken aan het ontstaan van een aantal industriegebieden, zoals te Emmen, Hoogeveen en Assen. Ook nam het toerisme in deze periode steeds toe zodat Drenthe meer bekend werd in den lande. Het provinciaal bestuur en de plaatselijke overheden werden meer alert op betere leefomstandigheden. De bevolking van Drenthe werd meer heterogeen van samenstelling en kreeg ook een betere gelaagdheid wat opleiding en bevoegdheden betreft. Dit alles vertaalde zich ook, vooral in het derde kwart van deze eeuw, in een zich vernieuwende kerkelijke belangstelling en een toenemende zorg voor een beter kerkinterieur en voor een liturgie waarbinnen het orgelspel een belangrijke rol vervulde. Wanneer we nu beide genoemde perioden nog eens nader bezien ten aanzien van het orgelbezit dan komen er problemen aan de orde die ook landelijk bezien geldig zijn. Zo waren in het begin van deze eeuw de prominente orgelmakerijen uit de 19e eeuw, zoals Van Oeckelen, Van Dam, Witte, Maarschalkerweerd omstreeks 1920 bijna allen uitgestorven of hielden op te bestaan. Verder begon een nieuwe tendens een belangrijke rol te spelen. De orgels werden steeds meer met fabrieksmatige methoden vervaardigd. Ook werden meer en meer andere systemen van orgelbouw toegepast zoals pneumatiek en elektrificatie. De orgelkasten werden vervangen door open pijp-opstellingen, waardoor een geheel ander uiterlijk ontstond. Dit alles zou op zichzelf nog geen nadeel behoeven op te leveren wanneer men maar naar goede kwaliteit bleef streven en wat het uiterlijk betreft artistieke maatstaven hanteerde. Hieraan kleefde echter een kostenplaatje wat menig kerkbestuur niet kon opbrengen. Dit leidde ertoe dat men ging zoeken naar goedkopere oplossingen, die dan meestal niet tot een goed eindresultaat leidden.
In het eerste kwart van deze eeuw werden nog orgels nieuw gebouwd
of uit een andere plaats in Drenthe neergezet die nog volgens het mechanisch sleepladen
systeem waren gebouwd. Zo zette de firma L. van Dam uit Leeuwarden, in de nadagen geleid
door Pieter van Dam, enkele orgels neer volgens dit systeem. Te Eelde
werd het nu toch wel te oude instrument in 1907 vervangen door een nieuw orgel. In de Ned. Herv. Kerk te Nieuw Amsterdam werd in 1902 een nieuw orgel
geplaatst. Ook Jan Proper bouwde nog een orgel volgens dit
principe. Zo verving hij het oude instrument te Hollandscheveld
in 1910 voor een nieuw orgel. In de Gereformeerde kerk te
Hoogeveen bracht hij in 1905 een orgel over uit Antwerpen. Bij de ingebruikname werd
het bespeeld door Bernard ten Cate die later nog organist van de Aa-kerk te Groningen
werd. Het Proper-orgel te Coevorden waarop Willem Hendrik Zwart nog van 1945 tot 1954 organist was, waarna
hij benoemd werd op het orgel in de Bovenkerk
te Kampen, werd in 1972 door de orgelmakers Van den Berg en Wendt te Zwolle geheel
vernieuwd. Hierbij werd de historische balustrade uit 1658 weer hersteld. Soms kon Jan
Proper echter ook op een vreemde manier met een orgel bezig zijn. Zo restaureerde hij het
orgel in de Ned. Herv. Kerk te Meppel in 1905. Het gehele orgel werd door elkaar gehaald
en de rugwerkkast leeggehaald. Koddig is het knutselwerk vermeld in een rapport van 1949.
Op het Hoofdwerk kreeg de Trompet 8', daar Cis en Dis ontbraken, twee pijpjes van ongeveer
30 cm voorzien van een harmoniumtong. Trekt men nu de Prestant die ook op de lade staat
open, dan schuift een sleepje onder deze 'Trompetjes' half open en fungeert de Trompet 8'
als Prestant. Het geheel werd op een apart laadje aangebracht (32). De
firma Bakker en Timmenga, orgelmakers te Leeuwarden sinds 1880, plaatsten in 1911 een
nieuw orgel in de Ned. Herv. kerk te Roderwolde. In 1932
kwam er van hun hand een nieuw orgel in de Ned. Herv. kerk te Elim.
Het opschrift is hier:"Door Arm en Rijk gespaard, door Jong en oud vergaard, op
dankdag onze God gewijd, tot roem van Zijne Heerlijkheid". (33)
Ook de orgelmakers A.S.J. Dekker te Goes,
orgelmaker sinds 1892, en A.W.J.
Standaart te Schiedam, orgelmaker sinds 1904, bouwden in Drenthe orgels. Deze waren
over het algemeen wel van mindere kwaliteit. De firma Dekker leverde oa. een nieuw orgel
aan de Vereniging voor Christelijke Belangen te Assen, dat in
1920 in gebruik genomen werd. Het had een niet onaardig Jugendstil front. De firma
Standaart verving in 1926 het oude Faber-orgel uit Coevorden,
dat in 1896 naar de Remonstrantse kerk te Hoogeveen was
verplaatst, door een nieuw orgel. Het Faber-orgel verdween naar de kapel van de Rekkense
Inrichtingen te Rekken waar het in 1934 door de firma Valckx en van Kouteren werd
vervangen door een nieuw orgel. Hierna zijn we het spoor van het oude Faber-orgel bijster.
J. Doornbos te Groningen, orgelmaker sinds ca. 1880, maakte
voor de Ned. Herv. kerk te Zuidwolde in 1902 een nieuw orgel.
Hij leverde in 1910 een klein orgel te Eext in de Ned. Herv. kerk.
Het was een schenking van het echtpaar Meijering-Loman voor hun 50-jarige echtvereniging.
In het tweede kwart van de 20ste eeuw kwamen er orgels die meestal
volgens het pneumatisch kegelladen systeem waren gemaakt. De firma Valckx en van Kouteren,
eerst werkzaam bij Standaart begon in de twintiger jaren een eigen bedrijf. In de Gereformeerde Zuiderkerk te Assen werd in 1932 een nieuw orgel met
2 klavieren en vrij pedaal gebouwd volgen het pneumatisch kegelladen systeem. Eenzelfde
orgel werd in 1936 geplaatst in de Gereformeerde Zuiderkerk te
Emmen. Deze orgels, die nu inmiddels ca. 50 jaar oud zijn, functioneren na verandering
en restauratie nog steeds. In deze jaren komt ook de firma M. Spiering uit Dordrecht,
werkzaam sinds 1888, op de Drentse bodem een rol spelen. Vooral door de invloed van
Harmannes Thijs (33) , de meesterknecht van Van Oeckelen, die het bedrijf na de dood van
Antonius in 1918 kreeg toebedeeld, werd Spiering in het Noorden geïntroduceerd. Dit
leidde tot soms rigoureuze restauraties van vooral historische instrumenten. Bekende
voorbeelden zijn Meppel, orgel in de oude Ned. Herv. kerk
gerestaureerd in 1927. Orgel Ned. Herv. kerk te Roden in 1932
en het orgel Ned. Herv. kerk in Zuidlaren. In Groningen werd
het orgel in de Ned. Herv. kerk te Zeerijp het
slachtoffer. Het enige voordeel was dat in deze gevallen niet tot vervanging werd
overgegaan. In de jaren veertig werden nog de orgels te Roden en Anloo gerestaureerd. Dit
maal door de orgelmaker Mense Ruiter, die zich ontpopte als iemand die nog vasthield aan
het mechanisch sleepladen systeem, zoals ook de firma Bakker en Timmenga dat nog steeds
bleef doen. Wat betreft het zingen in de kerk kan nog de opmerking van J. Godefroy
organist van de Grote kerk in Steenwijk, toen hoofdredacteur van Het Orgel, worden vermeld wanneer hij in 1906 schrijft:
In Drenthe en ook in de kop van Overijssel zingt men de psalmen wel "op liedjes
wijze" bv. Ps. 100 op: "Al is ons prinsje nog zo klein, hoezee".
In plaats van hoezee zingt men 'ut-re"!
"Juich aarde, juicht alom den fleer, (ut - re')
Dient God met blijdschap geeft hem eer, (Ut - re')
Komt nadert voor zijn aangezicht
Zingt hem een vrolijk lofgedicht (ut - re' - ut - re' bis,
bis)". (34).
1. Concerstück, Riemenschneider (orgel)
2. Sonate no 1, G. F. Händel (viool)
3. Bénediction nuptiale, C. Saint Saëns (orgel)
4. Aria uit de Mattheuspassion, J. S. Bach (zang)
5. Aria uit de Messias, G. F. Händel (zang)
6. Gedeelte uit Lobgesang met het koraal Nun danket alle
Gott, Mendelsohn (orgel)
7. Romance, G. Both (viool)
8. Bercelonette, wiegeliedje, P. Lacome (viool)
9. In memoriam, Brandts Buys (orgel)
10. Kerstnacht, Ned. Voksliederenboek (zang)
11. Ave Maria, Caesar Franck (zang en viool)
12. Postludium, Rinck (orgel) (35)
Van de orgels die in de jaren vijftig en zestig gerestaureerd werden moeten we
vooral het orgel in de Ned. Herv. kerk te Meppel noemen.
Tegelijk met de restauratie van de kerk werd ook het orgel aangepakt. Dit laatste werk
werd gedaan door de orgelmaker Mense Ruiter (1908 - 1991) te
Groningen onder toezicht van de adviseurs voor de commissie van de Ned. Herv. kerk,
Hülsmann en Erné en als rijksadviseurs, H.L. Oussoren en Cor Edskes. In 1950 werd een
begin gemaakt met de restauratie die echter door allerlei omstandigheden in zijn geheel
pas in 1968 voltooid werd. M. Ruiter maakte een nieuw Borstwerk en Pedaal en enkele
registers op Hoofdwerk en Rugwerk. Dit historische orgel werd een der grootste van de
provincie Drenthe. Het heeft drie klavieren en vrij pedaal en 38 stemmen. Nico Verrips was
van 1953 tot 1998 organist.
Het zou te ver voeren om alle
nieuwgebouwde orgels in de jaren 1950 tot 1998 te noemen. De orgelmaker L. Verschueren uit
Heythuizen bleek in Drenthe gewild te zijn. Hij plaatste in totaal 9 nieuwe orgels in
waarvan de bekendste die te Emmen in de Gereformeerde Ichtuskerk
(1956) en in de Ned. Herv. Kapel (1961), verder te Klazienaveen in de Ned. Herv. kerk (1971) een 2 klaviers orgel met
vrij pedaal en 17 stemmen. De firma F. Leeflang (1906 - 1994) te Apeldoorn, maakte een
nieuw orgel in de gereformeerde kerk te Beilen (1959) en in de
Nieuwe Gereformeerde kerk te Meppel (1963). De firma J. Reil (1907 - 1960) opgevolgd door de Gebr. J.L. en W.A. Reil, sinds 1937 te Heerde, deden veel
reparatiewerk en maakten een nieuw orgel in de Ned. Herv. kerk te
Tweede-Exloërmond (1976) en in de Gereformeerde Vrijgemaakte
Goede Herderkerk te Emmen (1986), dit laatste orgel werd in 1992 door brand verwoest.
Ook kwamen in deze periode enkele orgels uit andere provincies over. Te Assen kwam in de Gereformeerde Marturiakerk een orgel uit de Ned. Herv. kerk te
Heerenveen, een werk van de Friese orgelmaker A. van Gruisen (1741-1824), dat gebouwd was
in 1790. De verplaatsing vond plaats in 1972 - 1975 door Mense Ruiter. In plaats van het
orgel dat door brand in 1992 in de vlammen opging werd in 1998 in de Gereformeerd Vrij
gemaakte Goede Herderkerk te Emmen een orgel aangekocht uit de voormalige Hervormde
Muiderkerk te Amsterdam. Dit orgel was in 1893 gemaakt door de Amsterdamse orgelmaker D.G.
Steenkuyl. Het orgel werd toen geplaatst in de oude orgelkast uit 1850. De restauratie en
overplaatsing vond plaats door de orgelmakers Kaat en Tijhuis te Kampen.
Aan het eind van de 20ste eeuw waren er
in Drenthe ruim 160 orgels. Hiervan nemen de Hervormde kerken ca. 45% voor hun rekening.
Dan komen de Gereformeerde kerken met ca. 30% en de R.K. kerken met ca. 10% en de andere
kerkelijke gezindten met ca. 15%. De plaatsen met de meeste orgels zijn Emmen, Meppel,
Hoogeveen en Zuidlaren.
Concertant orgelspel begon ook in Drenthe
vaste voet te krijgen. Zo worden er in de zomertijd in Smilde, Zuidlaren, Meppel, Sleen
orgelconcerten gegeven. In Klazienaveen wordt al enkele jaren een orgelconcours gehouden.
Ook het muziekonderwijs neemt meer en
meer toe. Muziekscholen zijn er te Assen, Meppel en Emmen. In Meppel en Coevorden is een
koororgel aanwezig en in de muziekschool te Emmen staat een
orgel van L. Verschueren.
Het Drentse orgellandschap vormde tot
voor kort een zwarte plek op de orgelkaart. Dit overzicht doet een poging die leemte op te
heffen en levert wellicht een bijdrage tot het behoud van het Drentse orgelbezit voor de
toekomst.
Noten.
1. Steensma, R. Vroomheid in hout en
steen. Baarn. (1968).
2. Magnin, I. 5. De Voormalige kloosters in
Drenthe. (1835).
3.idem als 2.
4. Rogier, L. J. Geschiedenis van het
Katholicisme. (1964), dl. 2 pag. 448.
5. Pluymaeckers, A. De Roomsch Katholieken
te Coevorden (1909).
6. Horinga, J. Rodaetio (en andere).
Geschiedenis van Drenthe (1983)463
7. Romein, T. A. De Hervormde predikanten
van Drenthe. (1861).
8. Rogier, A.W. (1964) dl. 2, pag.
9. RAD. mv. 863.28-7-1510.
10. RAD. OAM. mv. no 426(1516).
11. RAD. mv. no 20. Joosting (1906).
12. AG. AKS. Rationale of Rekeningboek
(1563) 87.
13. RAG. Register Feith. Hs. 1, folio 271.
Mr. Gerardus, organist word gebannen uit de stad Groningen met confiscatio van goederen
den 26 januari 1570 en den wille van den herv. godsdienst. Marcus. Sontontion van Alva,
240. Arts, M. Het dubbelklooster Dikninge. Assen (1945).
14. Talstra, F. Langs Nederlandse orgels
111(1979) 13-14.
15. Romein, aw. (1861). Coevorden pag. 250.
zie foto.
16. RAD. DAM. Notulen kerkenraad 1664.
17. Smit, Roindor. Fragmenten uit de
geschiedenis van Dwingelo (1982) 137-144.
18. RAD. AHKZ. Inkomsten en Uitgavenboek
(1716-1797).
19. Romein, a,w. (1861). Anbo pag. 19;
Feldo pag. 40.
20. Provinciaal Maandblad Drenthe
(1968)196-198.
21. Het Orgel (1960) 101-102.
22. Provinciaal Groningsche Courant
17-2-1866.
23. RAD. AG. 20-4-1843.
24. Belonje, I. en Westra van Hoitho, J.
Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden Drenthe (1937)129.
25. Romein, a.w. (1861)32.
26. De Mixtuur no 6 (1(1988)475-476.
27. Belonje, a.w. (1937)31. Onder de
balustrade stond nog: Ik ben het licht der wereld, de weg, de waarheid en het leven.
28. Zie W. D. v. d. Kleij en W. H. Zwart,
Orgels en Organisten in Kampen (1995) 82-84.
29. Caecilia (1855) 76 en (1861) 124. Het
Orgel (1890-1891) no7 en 8.
30. Zie De Mixtuur no 27(1979)642-646.
31. RAD. AHKM. Rapport orgelcommissie
(1949).
32. Ter plaatse genoteerd.
33. Harmannus Thijs, geb. Groningen 1862,
overleden Assen 1944.
34. Het Orgel (1905-1906)76.
35. Het Orgel (1908-1909)50. Concert op
7-2-1909.
36. Het Orgel (1903-1904) no 6, pag. 4.
37. Het Orgel (1991)) 332-340.
Afkortingen:
AG: Archief Gouverneur
AHKM: Archief Hervormde kerk Moppol
AHKZ: Archief Hervormde kerk Zuidlaren
AKS: Archief Klooster Sauwerd
DAM: Dud Archief Meppel
RAG: Rijksarchief Groningen
RAD: Rijksarchief Drenthe
a.w.: aangehaald werk